• Hof Arnhem-Leeuwarden, 19 december 2017,ECLI:NL:GHARL:2017:11312 

Een man, tandarts van beroep, en een vrouw hebben vanaf 2003 een affectieve relatie gehad. De vrouw is met haar minderjarig kind uit een eerdere relatie ingetrokken in de boerderij waarin de man destijds zijn praktijk als tandarts voerde. Partijen hebben de vermogensrechtelijke kant van hun relatie op 1 mei 2007 schriftelijk vastgelegd in een samenlevingsovereenkomst. Daarin is onder meer een beperkte gemeenschap van goederen geregeld. De vrouw heeft in 2010 het basisdiploma tandartsassistente behaald en in 2011 het diploma preventieassistente.

De man heeft de samenlevingsovereenkomst opgezegd bij brief van 9 januari 2013.

De vrouw heeft gesteld dat zij vanaf 2003 in de praktijk van de man werkzaam is geweest; aanvankelijk deed zij schoonmaakwerk, vanaf mei 2008 tot december 2012 als full time tandartsassistente. Zij heeft nimmer loon ontvangen en vordert een bedrag aan loon van € 60.724,47 en een op grond van de toepasselijke CAO verplichte pensioenbijdrage van € 12.000,-.

De rechtbank heeft overwogen dat de man niet tijdig van antwoord heeft geconcludeerd, doch heeft de vordering afgewezen omdat van het bestaan van een arbeidsovereenkomst onvoldoende is gebleken.

In grief 1 betoogt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte de vordering inhoudelijk heeft beoordeeld in plaats van deze als een verstekvordering marginaal te toetsen. Het hof overweegt dat de man in eerste aanleg is verschenen, zodat nimmer sprake is geweest van verstek. Reeds hierom faalt de grief. Ook bij een verstekvordering dient de rechter overigens te toetsen of de gestelde feiten de vordering kunnen dragen.

In zoverre ten overvloede overweegt het hof dat hetgeen de vrouw feitelijk heeft gesteld niet haar conclusie kan dragen dat sprake is van een loonvordering. Voor een arbeidsovereenkomst is ingevolge artikel 7:610 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) bepalend dat de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. De rechtsverhouding tussen partijen kan eerst als (een dergelijke) arbeidsovereenkomst worden gekwalificeerd nadat is vastgesteld wat partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, mede in aanmerking genomen de wijze waarop zij de overeenkomst feitelijk hebben uitgevoerd en aldus daaraan inhoud hebben gegeven.

Dat partijen een arbeidsverhouding voor ogen heeft gestaan, is door de vrouw niet gesteld, zij heeft uitsluitend aangevoerd dat dat haar voor ogen heeft gestaan. Dat over beloning ooit afspraken zijn gemaakt, is ook niet gesteld.

Het hof verwerpt het beroep.

Bestaan arbeidsovereenkomst tussen gewezen echtelieden niet aangetoond
Terug