• Hof ‘s-Hertogenbosch, 30 januari 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:338 

De werknemer is via een uitzendbureau als interne kwaliteitscontroleur werkzaam geweest bij de inlener. Hij werkte aan een productielijn van stoelen, waarvan hij de kwaliteit moest keuren. Op 4 maart 2011 is tussen de werknemer en twee uitzendkrachten van een ander uitzendbureau, die aan dezelfde productielijn werkzaam waren als externe kwaliteitscontroleurs, onenigheid ontstaan. Toen de werknemer na zijn dienst om 2:00 uur ’s nachts naar buiten liep, heeft één van de twee uitzendkrachten hem een kopstoot gegeven en is hij geslagen en gestompt. De werknemer heeft hierdoor letsel opgelopen. Hij heeft de inlener voor zijn schade aansprakelijk gesteld. De rechtbank heeft zijn vordering ter zake, gebaseerd op art. 6:170 BW, afgewezen. In hoger beroep baseert de werknemer zich mede op art. 7:658 BW.

Het hof bepaalt bij tussenarrest (ECLI:NL:GHSHE:2016:4092) dat getuigenbewijs noodzakelijk is. Bij eindarrest overweegt het hof dat de werknemer is geslaagd in het bewijs dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van de werkzaamheden als bedoeld in art. 7:658 BW. Het is voldoende komen vast te staan dat tijdens het werk ruzie is ontstaan. Het staat niet vast dat dit is gebeurd aan het einde van de dienst, maar wel dat het laat in de dienst was en ook dat er vlak voor het einde van de dienst een incident is geweest. De inlener heeft niet kunnen bewijzen dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Uit de getuigenverklaringen blijkt dat er regelmatig discussies en spanningen waren over het al dan niet goedkeuren van de stoelen tussen de interne en de externe controleurs. Op leidinggevend niveau werd daar echter geen aandacht aan besteed. Verder heeft de inlener op de avond zelf geen adequate maatregelen genomen om de ontstane spanningen weg te nemen. De inlener is daarom aansprakelijk voor de schade.

Inlener aansprakelijk voor mishandeling uitzendkracht
Terug