• Hof Amsterdam, 15 augustus 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3291 

Werknemer was sinds 15 juli 1997 in dienst van KLM. Werknemer verrichtte als Teamlid Bagageprocessen laad- en loswerkzaamheden in beveiligd gebied van Schiphol. Deze functie is een vertrouwensfunctie als bedoeld in de Wet veiligheidsonderzoeken, waarvoor werknemer over een Verklaring van Geen Bezwaar en een Schipholpas nodig had. In maart 2013 is werknemer aangehouden en in verzekering gesteld wegens verdenking van overtreding van bepalingen uit de Opiumwet en deelneming aan een criminele organisatie. Door zijn voorlopige hechtenis was werknemer niet in staat om zijn werkzaamheden voor KLM te verrichten, op grond waarvan KLM het loon heeft stopgezet. De betrokken officier van justitie heeft aan KLM gemeld waarvan werknemer verdacht werd en dat werknemer ervan werd verdacht deze strafbare feiten te hebben gepleegd door gebruikmaking van zijn positie op de luchthaven. Op 11 maart 2016 heeft de rechtbank bewezen verklaard dat werknemer zich schuldig heeft gemaakt aan voorbereidings- dan wel bevorderingshandelingen ten behoeve van de invoer van cocaïne in Nederland en deelname aan een criminele organisatie. Hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden. Werknemer is in hoger beroep gegaan. KLM heeft in eerste aanleg verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Deze is toegewezen op de e-grond. In hoger beroep komt werknemer tegen deze beslissing op.

Het hof bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter. Volgens het hof levert de strafrechtelijke verdenking, gezien de ernst van de strafbare feiten in combinatie met de vertrouwensfunctie van werknemer, een redelijke grond voor ontbinding op. Het in het strafproces ingestelde hoger beroep doet volgens het hof niet af aan de kracht van de verdenking. Nu sprake is van ernstig verwijtbaar handelen ligt herplaatsing niet in de rede en hoeft geen transitievergoeding te worden toegekend.

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens strafrechtelijke verdenking
Terug