Hof van Justitie van de Europese Unie (Advocaat-Generaal), 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:691

De werkgever, een Spaanse bank, heeft de werkneemster laten weten dat haar arbeidsovereenkomst wordt beëindigd als gevolg van reorganisatie. De keuze is op haar gevallen, omdat zij één van de laagste scores had qua functioneren in de provincie Barcelona. De werkneemster was zwanger ten tijde van haar ontslag. De Spaanse rechter heeft het Hof van Justitie prejudiciële vragen gesteld over de mate van bescherming van zwangere werkneemsters bij een collectief ontslag.

Het hof overweegt dat een ontslag wegens zwangerschap onverenigbaar is met het ontslagverbod van artikel 10 van richtlijn 92/85. Een ontslagbesluit tijdens de zwangerschap of het zwangerschapsverlof om redenen die daarmee geen verband houden, is echter niet in strijd met de richtlijn, op voorwaarde dat de werkgever schriftelijk gegronde redenen opgeeft voor het ontslag en het ontslag is toegestaan op grond van het nationale recht. Ontslag van een zwangere werkneemster als onderdeel van een collectief ontslag is dus toegestaan, mits de objectieve criteria worden vermeld die zijn gehanteerd bij het selecteren van de voor ontslag in aanmerking komende werknemers. De richtlijn vereist ook niet dat lidstaten voor werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie voorzien in een voorrangsstatus bij behoud van de arbeidsplaats of bij herplaatsing in een andere functie. Wel moeten lidstaten zowel preventieve als reparatoire bescherming bieden tegen zwangerschapsontslag. Het ontbreken van preventieve bescherming kan niet worden gerepareerd door een regeling die een niet gerechtvaardigd ontslag achteraf nietig verklaart.

Zwangere werkneemster mag worden ontslagen bij collectief ontslag
Terug