Rechtbank Noord-Holland, 30 maart 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:2732

Werkneemster is in 2006 in dienst getreden bij werkgeefster. In februari 2017 is werkneemster arbeidsongeschikt geraakt. In augustus 2017 heeft werkgeefster de arbeidsovereenkomst met werknemer met toestemming van UWV op grond van bedrijfseconomische redenen opgezegd tegen 1 december 2017. In oktober 2017 had werkneemster een terugval vanwege een gebrek aan vertrouwen tussen werkgeefster en werkneemster. In dat verband is een gesprek tussen partijen ingepland op 3 november 2017, waarvoor werkneemster verhinderd was, hetgeen zij aan werkgeefster heeft laten weten. Werkgeefster heeft dit aangemerkt als werkweigering en heeft werkneemster bij e-mail van 2 november 2017 op staande voet ontslagen.

In deze procedure verzoekt werkneemster primair een verklaring voor recht dat geen sprake is van een dringende reden voor het ontslag op staande voet en toekenning van een billijke vergoeding ter hoogte van minimaal € 6.300,00 bruto. Voor zover sprake zou zijn van een dringende reden voor het ontslag op staande voet, verzoekt werkneemster subsidiair om voor recht te verklaren dat de dringende reden niet ernstig verwijtbaar is en toekenning van de transitievergoeding.

De kantonrechter oordeelt dat op 2 november 2017 geen sprake kan zijn van een ontslag vanwege werkweigering op 3 november 2017. Immers stond op 2 november 2017 (nog) niet vast dat werkneemster op 3 november 2017 niet zou verschijnen. Uit de overgelegde e-mailberichten volgt niet onomstotelijk dat werkneemster niet zou komen, zodat niet kan worden uitgesloten dat zij toch zou besluiten naar het gesprek te komen. De kantonrechter oordeelt dat het onder de gegeven omstandigheden op de weg van werkgeefster had gelegen om werkneemster te waarschuwen voor de mogelijke gevolgen van een werkweigering en om vervolgens af te wachten of werkneemster op 3 november 2017 zou verschijnen. Van een dringende reden voor ontslag op staande voet is dus geen sprake, zodat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven. De kantonrechter kent aan werkneemster de transitievergoeding toe en ziet daarnaast aanleiding om een billijke vergoeding aan werkneemster toe te kennen van € 3.150,00 bruto. Daarbij neemt de kantonrechter onder meer in aanmerking dat tussen partijen reeds vast stond dat de arbeidsovereenkomst op korte termijn, namelijk per 1 december 2017, rechtsgeldig zou komen te eindigen.

Ontslag op staande voet wegens werkweigering niet rechtsgeldig, toekenning transitievergoeding en billijke vergoeding
Terug