Rechtbank Noord-Holland, 20 april 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:3121 

Een bedrijfsleidster van een beautysalon treedt per 1 februari 2016 voor onbepaalde tijd in dienst. Zij raakt per 29 december 2016 volledig arbeidsongeschikt, waarna het UWV haar per 16 januari 2017 een ZW-uitkering toekent. Per brief van 4 oktober 2017 wordt de werkneemster op staande voet ontslagen. De ontslagbrief vermeldt dat er onderzoek is gedaan naar fraude en diefstal naar aanleiding van ontslag van een andere medewerker. Uit dat onderzoek zou blijken dat de bedrijfsleidster klanten had bewogen om (gedeeltelijk) contant te betalen. Zij zou betalingen in eigen zak hebben gestoken en het systeem hebben gemanipuleerd om dat te verbergen.

De werkneemster verzoekt met succes om vernietiging van het ontslag op staande voet. Het ontslag is wel onverwijld gegeven, ondanks dat het onderzoek van 4 september tot 1 oktober 2017. Op 3 oktober heeft overleg plaatsgevonden met de gemachtigde van de werkgever, waarna het ontslag op 4 oktober is gegeven. De dringende reden is echter niet vast komen te staan. Weliswaar blijkt uit de verklaringen van de klanten dat zij zijn gevraagd om (deels) contant te betalen. Daaruit blijkt echter nog niet dat de werknemer geld in eigen zak heeft gestoken of dat zij het systeem heeft gemanipuleerd. Een dringende reden ontbreekt en er is geen redelijke grond om de arbeidsovereenkomst te ontbinden.

De werkneemster verzoekt om aanvulling van haar ZW-uitkering tot 100% van het loon en brengt een ondertekende arbeidsovereenkomst in het geding. Volgens de werkgever is die vals. De werkgever kan geen ondertekende versie van de juiste arbeidsovereenkomst in het geding brengen, omdat de dochter van de werknemer die zou hebben meegenomen. Dat komt echter voor risico van de werkgever. De loonvordering wordt toegewezen, net als een in die arbeidsovereenkomst afgesproken bonus en betaling voor overuren.

Arbeidsonschikte bedrijfsleidster beautysalon ten onrechte op staande voet ontslagen wegens fraude en diefstal
Terug