Werknemers bij Nedcar wilden deelnemen aan een landelijke staking, maar de rechter verbiedt de staking bij de autofabriek. Met toelichting op de mondelinge uitspraak en naschrift vanwege de schriftelijke uitspraak.

Omdat de onderhandelingen over een nieuwe cao Metalektro nog steeds in een impasse zitten, riepen de vakbonden op tot een landelijke staking op 10 en 11 januari 2019 bij o.a. Nedcar. Daarop stapte de autofabriek naar de rechter om in een kort geding een verbod te eisen op het doorgaan van de staking. Volgens Nedcar omdat een nieuwe staking de onderhandelingen met BMW over een vervolgopdracht voor de periode 2023-2029 zou schaden. Aan het einde van het kort geding besloot de rechter om de staking bij Nedcar te verbieden.

Mondelinge uitspraak van de rechter

Uit de korte mondelinge uitspraak blijkt dat de rechter de staking verbiedt omdat hij aanneemt dat er ‘een concreet en reëel risico is dat BMW binnen enkele maanden zal beslissen om niet meer in zee te gaan met Nedcar’ en dat er daarom ‘maatschappelijk een dringende noodzaak is om het collectieve actierecht (…) te beperken’. Daarmee mag er bij de autofabriek dus niet gestaakt worden; de landelijke staking kan wél doorgaan.

Het is gebruikelijk bij zo’n kort geding dat de rechtbank de uitspraak met daarin de uitgebreide motivering, pas op een latere datum publiceert. Naar verwachting zal dat over 14 dagen zijn.

Stakingsrecht

Het recht op het voeren van collectieve acties zoals stakingen, is niet bij wet geregeld. Wellicht vanwege het Nederlandse poldermodel. Maar het stakingsrecht is wel een sociaal grondrecht, dat in Nederland is erkend door de Hoge Raad. Maatgevend daarbij is het Europees Sociaal Handvest, waarin ook de voorwaarden zijn opgenomen voor de beperking van dat grondrecht. Bescherming van de openbare orde of de nationale veiligheid zijn volgens het Handvest voorbeelden van een legitieme reden om een collectieve actie te beperken.

In Nederland geldt als uitgangspunt bij een collectief belangenconflict – zoals hier het uitblijven van een nieuwe cao – dat werkgevers moet accepteren dat zij hinder of zelfs schade ondervinden van bijvoorbeeld een staking. Wil een werkgever een staking laten verbieden, dan zal hij aannemelijk moeten maken dat zo’n verbod maatschappelijk gezien dringend noodzakelijk is.

Bij de beoordeling van de vraag of een verbod op staking maatschappelijk gezien dringend noodzakelijk is, zijn volgens de Hoge Raad onder meer van belang:

– de aard en duur van de actie

– de verhouding tussen de actie en het daarmee nagestreefde doel

– de daardoor veroorzaakte schade aan de belangen van de werkgever of derden, en

– de aard van die belangen en die schade

Voorbeelden van recent verboden stakingen zijn bijvoorbeeld de staking van machinisten en conducteurs eind 2016 vanwege de veiligheidssituatie. En het grondpersoneel van KLM mocht in de zomer van 2016 niet staken vanwege de terreurdreiging gericht op luchthavens, waardoor als gevolg van de extreme zomerdrukte bij een staking grote aantallen reizigers zouden stranden, met alle risico’s van dien. Ook piloten van Easyjet mochten daarom die zomer niet staken tijdens 4 door de rechter aangewezen weekends; voor het overige mochten de piloten wel staken.

Daarentegen mochten in 2018 de piloten van Ryanair zonder beperking staken, net als beveiligingsmedewerkers op Schiphol. En de buschauffeurs in Almere mochten in 2016 staken, ondanks de verkeerschaos die volgens Connexxion zou ontstaan. Ook de politie mocht in 2015 staken, zelfs al zouden deurwaarders dan afzien van ontruimingen en beslagleggingen.

Toelichting op de mondelinge uitspraak

Het is niet verrassend dat de rechter in zijn mondelinge uitspraak het verbod op staking bij Nedcar motiveert met de opmerking dat daarvoor volgens de rechter maatschappelijk een dringende noodzaak bestaat. De rechter volgt -begrijpelijk en terecht- de woordkeuze van de Hoge Raad. En in de schriftelijke uitspraak zal ongetwijfeld worden verwezen naar de hiervoor genoemde aspecten die volgens de Hoge Raad van belang zijn bij het beoordelen van de vraag of een verbod op staking maatschappelijk gezien dringend noodzakelijk is.

De verwachting is dat de rechter met name tot een verbod op de staking bij Nedcar is gekomen vanwege de twee als laatste genoemde aspecten. Die staking zou de belangen van Nedcar forse schade toebrengen, daar waar Nedcar volgens de rechter zwaarwegende belangen heeft om de relatie met haar afnemer BMW ook in de toekomst te continueren, en die relatie kennelijk een als reëel ingeschat gevaar loopt bij de staking. Daarbij zullen de eerdere stakingen en de reeds door Nedcar geleden schade vermoedelijk ook een rol gespeeld hebben voor de rechter bij diens afwegingen, evenals de werkgelegenheid die Nedcar biedt en die een aantal jaar geleden nog volledig verloren dreigde te gaan.

Omdat Nedcar afhankelijk is van haar afnemer BMW, is het logisch dat de rechter oog heeft voor die relatie. In hoeverre die relatie daadwerkelijk gevaar loopt zoals de rechter in zijn mondelinge uitspraak aangeeft, is de vraag. Daarvoor zal de schriftelijke uitspraak afgewacht moeten worden, waarin de motivering voor dat oordeel is opgenomen. Maar dat productieverlies als gevolg van een nieuwe staking de onderhandelingen met BMW over een vervolgopdracht voor de periode 2023-2029 geen goed doet, lijkt aannemelijk. En dat is een aspect dat de rechter zeker mag meenemen in zijn beoordeling.

Bodemprocedure

De vakbonden hebben in reactie op de mondelinge uitspraak al laten weten de mogelijkheden van een bodemprocedure te gaan onderzoeken. Ook hebben ze hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak in kort geding. Voor zo’n bodemprocedure geldt dat de uitspraak daarin weliswaar de uitspraak in een kort geding vervangt, maar in dit geval uiteraard niet kan verhinderen dat er op 10 en 11 januari 2019 niet gestaakt mag worden bij Nedcar. Het gaat in zo’n bodemprocedure dan alleen nog maar over de principiële vraag of mogelijke schade aan de relatie tussen een werkgever en diens afnemer, of eventueel zelfs het risico op het verbreken daarvan, een verbod op een staking rechtvaardigt.

Het antwoord op die vraag is niet eenvoudig, en er bestaat een reële kans dat uiteindelijk in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat, achteraf bezien, een verbod op staking toch niet gerechtvaardigd was. Dat zou dan het verlies van dit kort geding voor de vakbonden draaglijk maken, daar waar Nedcar het beoogde doel toch al bereikt heeft, namelijk het niet-doorgaan van de staking. Een eventueel andersluidend oordeel in de bodemprocedure zou aardig passen in de traditie van het Nederlandse poldermodel. En om de uitkomst van het kort geding maalt dan waarschijnlijk niemand meer, want de werkgelegenheid bij Nedcar en de toeleveringsbedrijven is in ieder geval niet door de staking op 10 en 11 januari 2019 in het geding gekomen. Dat laatste leek nu juist voor de rechter van doorslaggevend belang om de staking te verbieden.

Naschrift

Uit de nadien verschenen schriftelijke uitspraak van de rechter, blijkt dat het stakingsrecht van de vakbonden als zodanig niet ter discussie staat. De kernvraag voor de rechter in het kort geding is of een verbod op staking maatschappelijk gezien dringend noodzakelijk is.

De rechter hecht er veel waarde aan dat Nedcar volledig afhankelijk is van BMW als haar enige klant. Verder constateert de rechter dat BMW op 21 november 2018 aan Nedcar schreef dat BMW wordt geconfronteerd met onzekerheid vanwege productieverlies als gevolg van stakingen, daar waar BMW in het verleden nu juist vanwege de afwezigheid van stakingen, koos voor het afnemen van een grote hoeveelheid auto’s bij Nedcar. En dat daarom stakingen een substantiële impact zullen hebben op de beslissing van BMW over toekomstige productie.

Dit maakt volgens de rechter dat er een concreet, reëel risico bestaat dat BMW binnen enkele maanden zal beslissen om niet meer ver te gaan met de productie van auto’s bij Nedcar. En daarmee bestaat volgens de rechter een aanmerkelijke kans dat de werkgelegenheid bij Nedcar en toeleveringsbedrijven fors wordt getroffen. Aan dat concrete gevaar voor de werkgelegenheid tilt de rechter zwaar.

Verder neemt de rechter in zijn overwegingen mee dat er wordt gestaakt voor een landelijke cao en niet voor een ondernemings-cao bij Nedcar. De schade die Nedcar stelt te lijden, is daarentegen voor de rechter niet van belang, en ook niet de vraag of er al dan niet bovenmatig veel bij Nedcar wordt gestaakt.

Alles afwegende, verbiedt de rechter de staking omdat er in januari 2019 een acuut en fors gevaar voor de werkgelegenheid bestaat. Daarbij spreekt de rechter de vakbonden aan op een eerder door hen gedane uitlating dat staken niet mag leiden tot een structureel verlies aan werkgelegenheid. Maar ook geeft de rechter aan dat BMW, door te dreigen met vertrek, niet voor langere tijd het stakingsrecht kan beïnvloeden. Het gaat slechts om nú, volgens de rechter, en dat gaf de doorslag.

De schriftelijke uitspraak van de rechter voldoet aan de eerdere verwachtingen. Alleen de reeds geleden schade door Nedcar, was voor de rechter geen argument om de staking te verbieden. Een aspect dat overigens wel een rol had kunnen spelen. De schriftelijke uitspraak is begrijpelijk, maar leunt vrij zwaar op de brief van BMW. Het is een goede zaak dat de rechter niet alleen uit de inhoud van de brief citeert, maar ook zijn oordeel toelicht met behulp van specifieke citaten. Echter, nu de interpretatie en achtergrond van die brief in een eventuele bodemprocedure ongetwijfeld voorwerp van nadere discussie zal worden, en dan ook de keuze van BMW waarschijnlijk duidelijk is, bestaat er nog steeds een reële kans dat uiteindelijk in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat, achteraf bezien, een verbod op staking toch niet gerechtvaardigd was.

Deze bijdrage is geschreven door mr. Ben van Meurs. Wilt u meer weten? Neem dan contact op via 045 560 22 00 of vanmeurs@sijbenpartners.nl

Rechter verbiedt staking bij VDL Nedcar. Waarom en hoezo nu eigenlijk?
Terug