Verzoek om uitgekeerde transitievergoeding te vergoeden afgewezen (ECLI:NL:RVS:2018:1293)

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft een interessante uitspraak gewezen omtrent artikel 123 Wpo, dat de mogelijkheid biedt om in bijzondere gevallen aanvullende bekostiging toe te kennen. Uit het eerste lid volgt dat bij ministeriële regeling besloten kan worden om in geval van bijzondere ontwikkelingen in de sector bijzondere bekostiging toe te kennen. Dit is in deze zaak echter niet aan de orde. In het onderhavige geval draait het om het tweede lid van de bepaling waaruit volgt dat minister aanvullende bekostiging kan toekennen op verzoek van een school in verband met bijzondere omstandigheden in een concreet geval.

Feiten

De Stichting heeft een werkneemster ontslagen wegens arbeidsongeschiktheid en aan haar een transitievergoeding uitgekeerd. De transitievergoeding, ook wel ontslagvergoeding genoemd, houdt in dat een werknemer recht heeft op een vergoeding indien de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd én de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd of niet wordt voortgezet op initiatief van de werkgever. De Stichting heeft vervolgens aan de staatssecretaris verzocht deze kosten te vergoeden en beroept zich hierbij op artikel 123, tweede lid, Wpo. De staatssecretaris heeft dit verzoek afgewezen.

Het geschil

Het geschil heeft betrekking op de vraag of het onderscheid tussen het openbaar onderwijs en anderzijds het bijzonder onderwijs een bijzondere omstandigheid is als bedoeld in artikel 123, tweede lid, Wpo, op grond waarvan aan de Stichting aanvullende bekostiging dient te worden verstrekt om de kosten van de in verband met het ontslag van werkneemster betaalde transitievergoeding te dekken. Het tweede lid van artikel 123 Wpo biedt de staatssecretaris de mogelijkheid om – in aanvulling op de lumpsum – aan een school die in bijzondere omstandigheden verkeert, onder door hem op te leggen verplichtingen, aanvullende bekostiging te verstrekken voor personeelskosten. Slechts in een zeer beperkt aantal gevallen wordt deze aanvullende bekostiging toegekend.

Op de eerste plaats stelt de Stichting dat sprake is van een bijzondere omstandigheid, nu de werkgevers in het openbaar onderwijs niet geconfronteerd worden met de verplichting om een transitievergoeding te betalen. Voorts voert de Stichting aan dat er veel ontslagen vallen, nu zij zich in een krimpregio bevindt. Het zittende personeel vergrijst en kent hogere salarisschalen, wat betekent dat ook de transitievergoeding hoger uitvalt. Over 2016 en 2017 heeft zij bijna een half miljoen Euro aan transitievergoedingen betaald. Zo blijft minder geld over voor het opvullen van vacatures en verhoogt de werkdruk. Kortom, er is een scheefgroei tussen het bijzonder onderwijs en het openbaar onderwijs, wat volgens de Stichting betekent dat artikel 123, tweede lid, Wpo ruimere toerekening geniet.

Oordeel Raad van State

De Afdeling oordeelt dat de gemaakte kosten voor de transitievergoeding niet in aanmerking komen voor aanvullende bekostiging ex artikel 123 lid 2 Wpo en dus voor rekening blijven van de Stichting. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het een maatregel betreft die alle scholen waar personeel werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst treft en niet alleen de scholen waar de Stichting het bevoegd gezag van is. Het zijn kosten die behoren tot het normale werkgeversrisico. Deze kosten dienen dus uit de lumpsum gefinancierd te worden. Ook het feit dat de verplichting tot betaling van de transitievergoeding uitsluitend geldt voor scholen in het bijzonder onderwijs, maakt dit evenmin een bijzondere omstandigheid. Het beroep van de Stichting is ongegrond.

Verzoek om uitgekeerde transitievergoeding te vergoeden afgewezen (ECLI:NL:RVS:2018:1293)
Terug