De werkneemster is vanaf 1 november in dienst bij de werkgever als financieel medewerkster. Op 1 augustus heeft zij bij de Kamer van Koophandel een onderneming ingeschreven. Op 6 maart 2019 heeft zich met betrekking tot deze onderneming met terugwerkende kracht per 1 januari 2019 als vennoot laten uitschrijven. Vanaf 12 maart 2019 is de werkneemster ziek. De werkgever heeft gedreigd met het stopzetten van de loondoorbetaling omdat hij de werkneemster ervan verdenkt dat zij nevenwerkzaamheden verricht tijdens ziekte. De werkneemster heeft derdenbeslag gelegd bij de gemeente Kampen (een relatie van de werkgever), teneinde haar recht op loondoorbetaling veilig te stellen. Op 9 april 2019 heeft de werkneemster de werkgever in kort geding gedagvaard. De werkgever heeft het loon over de maand maart op 9 april betaald, met de omschrijving: ‘onder dwang salarisbetaling. Echter niet akkoord’. De werkneemster vordert loondoorbetaling. De werkgever vordert in reconventie opheffing van het beslag.

De voorzieningenrechter overweegt dat sprake is van een spoedeisend belang. Dat het loon over de maand maart onder druk van het kort geding reeds is betaald doet daar niet aan af. De wettelijke verhoging is niet betaald en er is geen sprake van een onvoorwaardelijke toezegging dat het verdere loon normaal en tijdig betaald zou worden.

Vanwege de vertraging in de betaling van het loon is de gevorderde wettelijke rente toewijsbaar vanaf 31 maart 2019. Zo lang het dienstverband niet rechtsgeldig tot een einde is gekomen, is de werkgever gehouden om elke maand het overeengekomen loon te voldoen. Dit deel van de vordering is toewijsbaar. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bestaat er geen gerechtvaardigde grondslag voor de vordering van de werkneemster tot nakoming van de re-integratieverplichtingen door de werkgever. De vordering van de werkgever tot opheffing van het beslag wordt afgewezen.

Arbeidsrechtsartikel: Kort geding: zieke werkneemster heeft recht op loondoorbetaling
Terug