Schoonmaakster handelt ernstig verwijtbaar door geen gehoor te geven aan re-integratieoproepen

Werkneemster is als schoonmaakster in dienst bij Blinck Schoon. Zij is geruime tijd arbeidsongeschikt geweest. Na bezoek aan de bedrijfsarts wordt een plan van aanpak opgesteld waarin staat vermeld dat beide partijen van mening zijn dat werkneemster niet inzetbaar is voor werk. Niet veel later stelt de bedrijfsarts evenwel voor werkneemster toch te laten starten met werken en de werkzaamheden verder op te bouwen. Werkneemster geeft daaraan geen gehoor. Blinck Schoon schrijft haar diverse malen aan, stopt het loon en vraagt een deskundigenoordeel bij het UWV aan. Dit alles leidt er niet toe dat werkneemster aan het werk gaat, waarna Blinck Schoon een beëindigingsverzoek doet.

De kantonrechter:

Uit het feitenrelaas volgt dat werkneemster geen gehoor heeft gegeven aan de herhaalde oproepen van Blinck Schoon om haar re-integratie-verplichtingen na te komen. Van een deugdelijke grond hiervoor is niet gebleken. De omstandigheid dat in het plan van aanpak is vermeld, dat werkneemster niet inzetbaar is voor werk, kan werkneemster niet baten omdat de bedrijfsarts nadien heeft geadviseerd een aanvang te maken met de re-integratie. Overigens is niet gebleken dat dit voor werkneemster niet mogelijk was. Voor zover werkneemster in haar correspondentie bedoelt te stellen dat zij niet tot re-integratie gehouden was omdat zij met Blinck Schoon op 17 juli 2017 afspraken heeft gemaakt over beëindiging van de arbeidsovereenkomst, is dat door Blinck Schoon uitdrukkelijk betwist. Ook dit kan werkneemster dus niet baten. Voornoemd handelen en nalaten door werkneemster is naar het oordeel van de kantonrechter zodanig verwijtbaar, dat van Blinck Schoon in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel e, BW. De kantonrechter is van oordeel dat het handelen of nalaten van werkneemster niet alleen als verwijtbaar, maar ook als ernstig verwijtbaar kan worden aangemerkt.

Werknemer weigert baard af te scheren: geen dringende reden ontslag op staande voet

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 22 augustus 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:179

Werknemer is in dienst van Riu als bar back. In het arbeidsreglement van Riu staat dat gezichtsbeharing alleen is toegestaan wanneer dit netjes is getrimd. Werknemer heeft een baard. Riu uit haar bezwaar over de baardgroei en wijst werknemer geregeld op het arbeidsreglement. Werknemer wordt 48 uren gegund om zijn uiterlijk aan te passen aan het bedrijfsimago van Riu. Werknemer geeft hier geen gehoor aan. Riu ontslaat werknemer op staande voet. Werknemer stelt dat er geen sprake is van een dringende reden. In kort geding wordt Riu veroordeeld om werknemer met onmiddellijke ingang tewerk te stellen tot doorbetaling van loon. Riu gaat in hoger beroep.

Het Hof acht voorshands aannemelijk dat de in de ontslagbrief opgegeven ontslaggrond, die kennelijk gebaseerd is op de omstandigheid dat werknemer ondanks herhaalde verzoeken bleef weigeren zijn baard af te scheren, in dit geval geen voldoende dringende reden opleverde voor het gegeven ontslag op staande voet, mede gelet op zijn toenmalige functie als back bar en op de inhoud van beide versies van het arbeidsreglement. Nu ook een belangenafweging niet tot een ander oordeel leidt, verenigt het Hof zich met het bestreden vonnis. Het Hof bevestigt het bestreden vonnis.

AVG Workshop Arbeidsrecht en Website

Morgenavond geven Ron Greten, Rogier Beckers en Vian Vonken een AVG Workshop Arbeidsrecht en Website in Van der Valk in Heerlen. Wenst u deel te nemen? Stuur dan vóór morgen 13.00 uur een e-mail naar schoenmakers@sijbenpartners.nl


Het navolgende zal aan bod komen:

Arbeidscontracten – heeft u toestemming van het personeel nodig voor de verwerking van zijn/haar gegevens (en de partner en kinderen) voor de pensioenverzekering?
Morgen wordt ingegaan op de veranderingen in arbeidscontracten en vragen omtrent personeel en de AVG.

Website en maillijst – Is uw huidige maillijst na 25 mei 2018 nog te gebruiken onder de AVG?

Hier wordt ingegaan op uw website, het privacy statement, de informatievoorziening en de maillijst na 25 mei 2018.

Deelnamekosten aan de avond zijn €30,00 per persoon. Per bedrijf kunnen zich maximaal 2 personen aanmelden.

Arbeidsonschikte bedrijfsleidster beautysalon ten onrechte op staande voet ontslagen wegens fraude en diefstal

Rechtbank Noord-Holland, 20 april 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:3121 

Een bedrijfsleidster van een beautysalon treedt per 1 februari 2016 voor onbepaalde tijd in dienst. Zij raakt per 29 december 2016 volledig arbeidsongeschikt, waarna het UWV haar per 16 januari 2017 een ZW-uitkering toekent. Per brief van 4 oktober 2017 wordt de werkneemster op staande voet ontslagen. De ontslagbrief vermeldt dat er onderzoek is gedaan naar fraude en diefstal naar aanleiding van ontslag van een andere medewerker. Uit dat onderzoek zou blijken dat de bedrijfsleidster klanten had bewogen om (gedeeltelijk) contant te betalen. Zij zou betalingen in eigen zak hebben gestoken en het systeem hebben gemanipuleerd om dat te verbergen.

De werkneemster verzoekt met succes om vernietiging van het ontslag op staande voet. Het ontslag is wel onverwijld gegeven, ondanks dat het onderzoek van 4 september tot 1 oktober 2017. Op 3 oktober heeft overleg plaatsgevonden met de gemachtigde van de werkgever, waarna het ontslag op 4 oktober is gegeven. De dringende reden is echter niet vast komen te staan. Weliswaar blijkt uit de verklaringen van de klanten dat zij zijn gevraagd om (deels) contant te betalen. Daaruit blijkt echter nog niet dat de werknemer geld in eigen zak heeft gestoken of dat zij het systeem heeft gemanipuleerd. Een dringende reden ontbreekt en er is geen redelijke grond om de arbeidsovereenkomst te ontbinden.

De werkneemster verzoekt om aanvulling van haar ZW-uitkering tot 100% van het loon en brengt een ondertekende arbeidsovereenkomst in het geding. Volgens de werkgever is die vals. De werkgever kan geen ondertekende versie van de juiste arbeidsovereenkomst in het geding brengen, omdat de dochter van de werknemer die zou hebben meegenomen. Dat komt echter voor risico van de werkgever. De loonvordering wordt toegewezen, net als een in die arbeidsovereenkomst afgesproken bonus en betaling voor overuren.

Ontslag op staande voet na diefstal terecht gegeven

Rechtbank Limburg, 25 april 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:3967 

Werknemer is werkzaam bij GLS als loodsmedewerker. Op enig moment staat er een pakket in de loods die van de bank gevallen is en nu beschadigd is. In dit pakket zitten zaagbladen voor een decoupeerzaag. De zaagbladen zijn per vijf stuks verpakt in een kartonnetje. Werknemer neemt drie kartonnetjes uit het pakket weg en stopt deze in zijn broekzak. De overige kartonnetjes pakt hij opnieuw in een nieuwe doos in. Hij plaatst deze doos op de transportband. Op camerabeelden is de diefstal te zien. Werknemer wordt verhoord. Werknemer beweert dat hij de drie kartonnetjes met zaagbladen later weer heeft teruggegooid. GLS ontslaat werknemer op staande voet. Werknemer stelt nu dat er geen dringende reden is voor het ontslag op staande voet.

GLS heeft een zero-tolerance beleid, opgenomen in het personeelshandboek. Werknemer wist dit.  Het staat vast dat werknemer de bladeren uit het pakket heeft gehaald en in zijn broekzak heeft gestoken. De kantonrechter acht het niet relevant dat werknemer de betreffende zaagbladen niet mee naar huis heeft genomen. Daargelaten de vraag of diefstal hier in – de enge – strafrechtelijke dan wel civielrechtelijke zin moet worden opgevat, geldt in beide gevallen dat door de zaagbladen in de zak te steken de vereiste wegnemingshandeling was voltooid. Van vrijwillige terugtred is – ook daarmee – geen sprake. De kantonrechter oordeelt dat de feiten en omstandigheden voldoende grond opleveren voor een dringende reden voor het ontslag op staande voet. De kantonrechter wijst het verzoek van werknemer af.

Vier procent jongeren volgt geen opleiding en werkt niet

In 2017 was vier procent van de jongeren van 15 tot 25 jaar niet aan het werk, en volgde ook geen opleiding. Dat komt neer op 84 duizend jongeren. Ruim vier op de tien geven aan ook niet te willen of kunnen werken. Gezondheidsproblemen zijn de meest genoemde reden. Dit blijkt uit recent CBS-onderzoek op basis van de Enquête beroepsbevolking. Het percentage jongeren dat zowel niet werkt als geen opleiding volgt, is in Nederland het laagst van alle EU-landen. Het EU-gemiddelde lag in 2016 op 12 procent. In Italië was dit aandeel met 20 procent het grootst.

Stabiel rond de vijf procent
In Nederland schommelt het percentage jongeren die niet werken en niet studeren al jaren rond de vijf procent. Ook het EU-gemiddelde is al jaren vrij stabiel. Er zijn ook landen waar het percentage niet-werkende en niet-onderwijsvolgende jongeren tussen 2007 en 2016 is toegenomen, bijvoorbeeld in Roemenië en Griekenland. In Denemarken en België is dit percentage gedaald.

Ruim vier op de tien willen of kunnen niet werken
43 procent van de jongeren die niet werken én geen onderwijs volgen, geeft aan dat ze niet willen of kunnen werken. Deze groep staat het verst af van de arbeidsmarkt. Daarnaast kan bijna een op de vijf niet direct beginnen, of heeft niet recent naar werk gezocht. Bijna een derde van de niet-werkende en niet-onderwijsvolgende jongeren is actief op zoek naar werk en is daar ook direct beschikbaar voor. Zij behoren tot de werkloze beroepsbevolking. De in- en uitstroom in de groep niet-werkende en niet-onderwijsvolgende jongeren is groot. Zo heeft een derde binnen drie maanden werk gevonden of is weer een opleiding gaan volgen.

Gezondheid belangrijkste reden om niet te werken
Voor degenen die niet willen of kunnen werken is ziekte of arbeidsongeschiktheid de meest voorkomende reden. Daarnaast geeft 12 procent aan vanwege studie of een opleiding niet te willen werken. Dit zijn bijvoorbeeld jongeren die binnen afzienbare tijd weer beginnen met een opleiding. Verder geeft 6 procent de zorg voor het gezin of het huishouden als reden. Vergeleken met hun leeftijdsgenoten hebben niet-werkende en niet-onderwijsvolgende jongeren bijna twee keer zo vaak een of meer kinderen.

Ontslag op staande voet wegens werkweigering niet rechtsgeldig, toekenning transitievergoeding en billijke vergoeding

Rechtbank Noord-Holland, 30 maart 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:2732

Werkneemster is in 2006 in dienst getreden bij werkgeefster. In februari 2017 is werkneemster arbeidsongeschikt geraakt. In augustus 2017 heeft werkgeefster de arbeidsovereenkomst met werknemer met toestemming van UWV op grond van bedrijfseconomische redenen opgezegd tegen 1 december 2017. In oktober 2017 had werkneemster een terugval vanwege een gebrek aan vertrouwen tussen werkgeefster en werkneemster. In dat verband is een gesprek tussen partijen ingepland op 3 november 2017, waarvoor werkneemster verhinderd was, hetgeen zij aan werkgeefster heeft laten weten. Werkgeefster heeft dit aangemerkt als werkweigering en heeft werkneemster bij e-mail van 2 november 2017 op staande voet ontslagen.

In deze procedure verzoekt werkneemster primair een verklaring voor recht dat geen sprake is van een dringende reden voor het ontslag op staande voet en toekenning van een billijke vergoeding ter hoogte van minimaal € 6.300,00 bruto. Voor zover sprake zou zijn van een dringende reden voor het ontslag op staande voet, verzoekt werkneemster subsidiair om voor recht te verklaren dat de dringende reden niet ernstig verwijtbaar is en toekenning van de transitievergoeding.

De kantonrechter oordeelt dat op 2 november 2017 geen sprake kan zijn van een ontslag vanwege werkweigering op 3 november 2017. Immers stond op 2 november 2017 (nog) niet vast dat werkneemster op 3 november 2017 niet zou verschijnen. Uit de overgelegde e-mailberichten volgt niet onomstotelijk dat werkneemster niet zou komen, zodat niet kan worden uitgesloten dat zij toch zou besluiten naar het gesprek te komen. De kantonrechter oordeelt dat het onder de gegeven omstandigheden op de weg van werkgeefster had gelegen om werkneemster te waarschuwen voor de mogelijke gevolgen van een werkweigering en om vervolgens af te wachten of werkneemster op 3 november 2017 zou verschijnen. Van een dringende reden voor ontslag op staande voet is dus geen sprake, zodat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven. De kantonrechter kent aan werkneemster de transitievergoeding toe en ziet daarnaast aanleiding om een billijke vergoeding aan werkneemster toe te kennen van € 3.150,00 bruto. Daarbij neemt de kantonrechter onder meer in aanmerking dat tussen partijen reeds vast stond dat de arbeidsovereenkomst op korte termijn, namelijk per 1 december 2017, rechtsgeldig zou komen te eindigen.

Terug