Vergoeding redelijkerwijs noodzakelijke kosten medezeggenschapsraad

Vergoeding redelijkerwijs noodzakelijke kosten medezeggenschapsraad (ECLI:NL:GHAMS:2018:3434)

 

De Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam heeft op 25 september jl. een interessante uitspraak gedaan in het kader van artikel 28 van de Wet Medezeggenschap op Scholen (hierna te noemen: Wms) en daarbij antwoord gegeven op de vraag wanneer het bevoegd gezag de kosten moet vergoeden voor het raadplegen van een deskundige en het voeren van rechtsgedingen door een medezeggenschapsorgaan.

 

Feiten:

In artikel 28 lid 2 Wms is opgenomen dat de redelijkerwijs noodzakelijke kosten voor het raadplegen van een deskundige en van het voeren van rechtsgedingen door de medezeggenschapsraad slechts ten laste komen van het bevoegd gezag indien het bevoegd gezag vooraf in kennis is gesteld van de te maken kosten.

In de kwestie die aan de Ondernemingskamer voorlag had de oudergeleding van de medezeggenschapsraad van de school (hierna te noemen: de OMR) een deskundige (zijnde een advocaat) ingeschakeld ten behoeve van juridisch advies. Deze deskundige meldde zich op 9 oktober 2017 bij het bevoegd gezag met de mededeling dat de OMR zich tot hem had gewend ten aanzien van een viertal onderwerpen en heeft daarbij zijn uurtarief en de geschatte tijd genoemd.

Partijen zijn vervolgens in een discussie gewikkeld geraakt omtrent de vraag of de inschakeling van de deskundige door de OMR redelijkerwijs noodzakelijk was. Het bevoegd gezag vond van niet, omdat de OMR naar haar mening eerst overleg met de medezeggenschapsraad dan wel de beleidsondersteunende medewerker (speciaal aangesteld voor de medezeggenschapsaangelegenheden) had moeten plegen alvorens een deskundige in te schakelen en het bovendien om vragen ging die eenvoudig beantwoord hadden kunnen worden zonder inschakeling van de deskundige. De OMR vond dat zij wel in haar recht stond om een deskundige in te schakelen en dat de kosten daarvan ten laste moesten komen van het bevoegd gezag, omdat de OMR zelf dient te bepalen of en in welke mate zij behoefte heeft aan het raadplegen van een deskundige en dat het bevoegd gezag dit vervolgens slechts marginaal mag toetsen. Bovendien mocht van de OMR niet verwacht worden dat zij eerst overleg zou plegen met een beleidsondersteunende medewerker, aangezien deze in dienst is van het bevoegd gezag.

Nu het bevoegd gezag weigerde om de kosten van de door de OMR ingeschakelde deskundige te betalen, heeft de OMR een geschil aanhangig gemaakt bij de Landelijke Commissie voor Geschillen Wms. De Landelijke Commissie voor Geschillen Wms wees beide verzoeken van de OMR, zowel ten aanzien van het vergoeden van de kosten van het raadplegen van een deskundige door het bevoegd gezag als een vergoeding voor de gemaakte proceskosten inzake de procedure bij de commissie door het bevoegd gezag, af.

Vervolgens ging de OMR in hoger beroep bij de Ondernemingskamer. De vraag die daarbij voorlag was of het bevoegd gezag tekort is geschoten in de naleving van haar verplichtingen op grond van artikel 28 lid 2 Wms door te weigeren om de kosten van de door de OMR ingeschakelde deskundige te betalen.

 

Oordeel Ondernemingskamer:

De Ondernemingskamer komt tot het oordeel dat het bevoegd gezag niet tekort is geschoten in de naleving van haar verplichtingen op grond van artikel 28 lid 2 Wms. Daartoe overweegt zij het volgende.

Met een verwijzing naar de wetsgeschiedenis overweegt de Ondernemingskamer dat niet slechts marginaal, maar juist ten volle getoetst dient te worden of het in het concrete geval voor de vervulling van de taken van de OMR redelijkerwijs noodzakelijk was om een advocaat als deskundige te raadplegen en of de kosten daarvan ten laste van het bevoegd gezag dienen te komen. Volgens de Ondernemingsraad moeten onder meer in aanmerking worden genomen het belang en de aard van het onderwerp waarover de OMR de deskundige wenst te raadplegen, de omvang van de daarmee gemoeide kosten en de draagkracht van de school. Ten slotte is in dat kader ook van belang of, en zo ja, in hoeverre de OMR ook andere, minder kostbare middelen ter beschikking stonden om de door haar gewenste informatie te verkrijgen.

De Ondernemingskamer oordeelt vervolgens dat voor elk van de onderwerpen waarvoor de OMR om vergoeding van deskundige bijstand heeft verzocht geldt dat navraag bij de medezeggenschapsraad en/of het bevoegd gezag de gewenste duidelijkheid had kunnen bieden. De aard van de onderwerpen bracht niet mee dat daarvoor bijzondere expertise nodig was in de vorm van externe juridische bijstand. De OMR had haar vragen eerst aan de orde moeten stellen in de medezeggenschapsraad, waarvan de OMR deel uitmaakt, op grond van artikel 7 lid 1 Wms waarin is opgenomen dat de medezeggenschapsraad naar vermogen openheid en overleg in de school dient te bevorderen. Ook had de OMR eerst haar vragen kunnen neerleggen bij de voor de medezeggenschap aangestelde beleidsondersteunende medewerker.

De OMR die een deskundige wil raadplegen en aan het bevoegd gezag vraagt te bevestigen dat de kosten daarvan door het bevoegd gezag gedragen zullen worden, zal dan ook voldoende gegevens moeten aanreiken aan het bevoegd gezag op basis waarvan het bevoegd gezag de beoordeling kan maken of er sprake is van redelijkerwijs noodzakelijke kosten.

De Ondernemingskamer komt zodoende tot de conclusie dat het bevoegde gezag niet tekort geschoten was in de naleving van haar verplichtingen op grond van artikel 28 lid 2 Wms en de kosten van het inschakelen van de deskundige door de OMR niet hoefde te dragen, omdat deze niet redelijkerwijs noodzakelijk waren.

Een tweede punt dat ter beoordeling aan de Ondernemingskamer voorlag, was of het bevoegd gezag dan wel de kosten diende te dragen die de OMR had gemaakt voor het voeren van de procedures bij de Landelijke Commissie voor Geschillen WMS en de Ondernemingskamer. Met een verwijzing naar (wederom) de wetsgeschiedenis oordeelt de Ondernemingskamer dat de kosten van een nalevingsgeschil  in ieder geval moeten worden aangemerkt als redelijkerwijs noodzakelijke kosten, onafhankelijk van de vraag welke partij in het ongelijk wordt gesteld. Het bevoegd gezag is dan ook gehouden om de redelijkerwijs noodzakelijke kosten voor het voeren van de procedures te dragen. Wel concludeert de Ondernemingskamer dat de in rekening gebrachte kosten door de deskundige in geen verhouding staan tot de aard en de omvang van het geschil en dat ook wegens de draagkracht van het bevoegd gezag de kosten niet als redelijk kunnen worden aangemerkt. Zodoende matigt de Ondernemingskamer de kosten voor het voeren van de procedure.

 

Betekenis:

Uit de uitspraak van de Ondernemingskamer volgt duidelijk dat een bevoegd gezag een verzoek van een medezeggenschapsorgaan tot vergoeding van kosten niet klakkeloos hoeft te accepteren. Het bevoegd gezag dient naar aanleiding van de aangereikte informatie zich een oordeel te vormen of de kosten in het concrete geval redelijkerwijs noodzakelijk zijn. Het bevoegd gezag kan daarbij kijken naar het belang en de aard van het onderwerp waarover het medezeggenschapsorgaan een deskundige wenst te raadplegen, de omvang van de daarmee gemoeide kosten en de draagkracht van de school. Daarnaast is ook van belang dat het medezeggenschapsorgaan minder kostbare mogelijkheden om antwoord te krijgen op levende vragen heeft onderzocht en gebruikt, alvorens een deskundige in te schakelen op kosten van het bevoegd gezag.

Feit blijft wel dat indien een bevoegd gezag een verzoek van een medezeggenschapsorgaan tot betaling van kosten van een deskundige afwijst, een medezeggenschapsorgaan een geschil bij de Landelijke Commissie Geschillen WMS aanhangig kan maken en dat de kosten ter zake deze procedure in ieder geval als redelijkerwijs noodzakelijke kosten worden aangemerkt en door het bevoegd gezag betaald moeten worden. Dit kan door een medezeggenschapsorgaan als drukmiddel worden gebruikt om toch geld los te krijgen bij het bevoegd gezag. Immers, het bevoegd gezag weet dat zij linksom of rechtsom dan toch moet betalen. Het blijft dan ook opmerkelijk dat een deskundige (in dit geval advocaat) niet zijn kosten betaald krijgt door het bevoegd gezag vanwege het adviseren van de OMR, maar wel voor het voeren van procedures over de vraag of inschakeling van de deskundige in de eerste plaats wel redelijkerwijs noodzakelijk was. Hoe kansloos deze procedure ook is.

Aan te raden is dan ook om in samenspraak met de medezeggenschapsraad afspraken te maken over het maximale bedrag dat jaarlijks door het bevoegd gezag wordt betaald wegens het inschakelen van een deskundige. In dat geval kan de medezeggenschapsraad dit naar eigen inzicht besteden en hoeft hier vooraf geen toestemming voor te krijgen van het bevoegd gezag. Het voordeel van het bevoegd gezag is dat zij vooraf inzicht heeft in de te maken kosten en niet achteraf geconfronteerd wordt met een hoge kostenpost.

Middelbare scholen breken gesloten markt voor schoolboeken open.

Middelbare scholen breken gesloten markt voor schoolboeken open.

 

Afgelopen zaterdag opende het Financieel Dagblad met de kop: “Middelbare scholen breken gesloten markt voor schoolboeken open”.

In het artikel wordt de Europese aanbesteding voor leermiddelen van de Stichting Carmelcollege te Hengelo besproken. Het zogenaamde LIFO-concept moet het gepersonaliseerd leren binnen de scholen stimuleren. Daarnaast heeft het concept als belangrijke voordeel dat er niet langer sprake is van lesboeken die meerdere jaren gebruikt worden, maar zijn alle papieren leermiddelen verbruiksmateriaal geworden. Verder is de verwachting dat deze wijze van uitvraag tot meer aanbieders zal leiden.

Het LIFO-concept heeft de Stichting Carmelcollege samen met het Onderwijskantoor ontwikkeld.

Indien u meer informatie wenst over het LIFO-concept kunt u contact opnemen met info@onderwijskantoor.nl dan wel via 045 – 560 22 00.
Klik hier voor meer informatie over Het Onderwijskantoor en onze activiteiten.

Het betreffende artikel kunt u hier teruglezen.

Met nadruk wordt opgemerkt dat het auteursrecht van dit bericht is voorbehouden aan het FD. (het artikel is verschenen in Het Financieele Dagblad van 22 februari 2018). https://fd.nl/economie-politiek/1265799/scholen-breken-gesloten-schoolboekenmarkt-open en https://fd.nl/economie-politiek/1270094/het-laatste-bastion-van-de-oude-economie-brokkelt-af

Gedeeltelijke transitievergoeding bij vermindering arbeidsduur van een langdurig zieke werknemer

Gedeeltelijke transitievergoeding bij vermindering arbeidsduur van een langdurig zieke werknemer

Een werkgever die de arbeidsovereenkomst met zijn werknemer opzegt, is vaak een transitievergoeding verschuldigd. Ook als die opzegging komt omdat werknemer vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid zijn werk niet meer kan doen. En de wachttijd voor een WIA-uitkering (2 jaar) is verstreken, zonder dat werknemer is hersteld.

Het is ook mogelijk dat werknemer na 2 jaar deels is hersteld, en nog maar gedeeltelijk arbeidsongeschikt is. Dan bestaat maar recht op een gedeeltelijke WIA-uitkering, als aanvulling op het loon dat werknemer nog zou kunnen verdienen. Bijv. door een vermindering van de arbeidsduur.

De Hoge Raad heeft recent beslist dat bij een substantiële en structurele vermindering van de arbeidstijd van de werknemer, aanspraak bestaat op een gedeeltelijke transitievergoeding. Namelijk voor het deel waarmee de arbeidsovereenkomst wordt verminderd/beëindigd. Dit is bijv. aan de orde bij blijvende, gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, of bij het gedeeltelijk vervallen van een arbeidsplaats wegens bedrijfseconomische omstandigheden. Werkgevers dienen hierop dan ook bedacht te zijn.

 

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2018:1617

 

 

Recht op transitievergoeding bij deeltijd- of wijzigingsontslag (ECLI:NL:HR:2018:1617)

Recht op transitievergoeding bij deeltijd- of wijzigingsontslag (ECLI:NL:HR:2018:1617)

De Hoge Raad heeft op 14 september 2018 bepaald dat een werknemer bij een deeltijd- of wijzigingsontslag op grond van langdurige arbeidsongeschiktheid recht heeft op een gedeeltelijke transitievergoeding. Gezien de werkwijze in het bijzonder primair en voortgezet onderwijs dat bij deeltijdontslag op grond van langdurige arbeidsongeschiktheid altijd eerst ontslag plaatsvindt en daarop aansluitend een nieuwe benoeming voor minder uren, besteden wij aandacht aan deze opmerkelijke uitspraak.

Feiten:

De feiten in de zaak zijn als volgt. Werkneemster was op 22 september 1980 in dienst getreden van Kolom (een onderwijsinstelling voor bijzonder onderwijs) in de functie van leraar LC. Op werknemers van instellingen voor bijzonder onderwijs is het reguliere arbeidsrecht conform artikel 7:610 en verder van het Burgerlijk Wetboek van toepassing. Op de arbeidsovereenkomst van de werkneemster is verder de CAO VO van toepassing.

De omvang van de dienstbetrekking van de werkneemster bedroeg 0,9894 van een volledige betrekking. Sinds 15 november 2013 was werkneemster arbeidsongeschikt. Op 19 augustus 2015 vroeg werkneemster een WIA-uitkering aan. Bij besluit van 12 oktober 2015 heeft het UWV aan werkneemster een WIA-uitkering toegekend met ingang van 16 november 2015 onder vermelding van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 43,83%.

Op 15 oktober 2016 heeft Kolom aan werkneemster een brief gezonden met de mededeling dat de arbeidsovereenkomst met werkneemster zal worden beëindigd onder gelijktijdige aanbieding van een arbeidsovereenkomst met ingang van 1 maart 2016 als leraar LC voor 0,5500 fte (het deel dat werkneemster nog arbeidsgeschikt is), zulks op grond van de werkwijze als genoemd in artikel 20 sub g Zavo (bijlage bij CAO VO). Werkneemster ontving gelijktijdig een akte van ontslag en een akte van benoeming.

Werkneemster heeft vervolgens bij brief van 29 februari 2016 aan Kolom verzocht om aan haar de transitievergoeding uit te betalen van € 76.000,00 bruto, vanwege het feit dat Kolom de arbeidsovereenkomst met haar had opgezegd wegens langdurige arbeidsongeschiktheid.

De kantonrechter oordeelde dat de werkneemster in beginsel recht had op een transitievergoeding, nu Kolom haar arbeidsovereenkomst wegens twee jaar ziekte had beëindigd. Wel oordeelde de kantonrechter dat deze transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moest worden berekend op basis van het gedeelte van de dienstbetrekking dat definitief is beëindigd (dus voor 0,4394 fte). Volgens de kantonrechter had de werkneemster dus geen recht op € 76.000,00 bruto, maar op € 33.394,40 bruto.

Kolom was het niet eens met het oordeel van de kantonrechter en heeft hoger beroep ingesteld bij het hof. Volgens het hof bestond er voor de werkneemster geen aanspraak op een transitievergoeding, omdat er geen sprake was geweest van een opzegging van de arbeidsovereenkomst in de zin van de artikelen 7:673 en 7:681 van het Burgerlijk Wetboek. Volgens het hof hadden partijen niet bedoeld om over te gaan tot het beëindigen van de arbeidsovereenkomst, maar slechts tot het aanpassen van de bestaande arbeidsovereenkomst. Dat daarbij de werkwijze zoals voorgeschreven in de CAO VO moest worden gevolgd – werkgever moet opzeggen en aansluitend een nieuwe arbeidsovereenkomst aanbieden – deed hier volgens het hof niets aan af.

Oordeel Hoge Raad:

De Hoge Raad overweegt dat het wettelijk ontslagstelsel niet voorziet in de mogelijkheid tot gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Volgens het wettelijk stelsel wordt een arbeidsovereenkomst slechts in haar geheel opgezegd en ontbonden. Zodoende is in de wet niet voorzien in een aanspraak op een gedeeltelijke transitievergoeding voor het geval van een vermindering van de arbeidsduur.

De Hoge Raad overweegt verder dat de mogelijkheid van gedeeltelijk ontslag met daaraan gekoppeld de aanspraak op een gedeeltelijke transitievergoeding wel moet worden aanvaard voor het bijzondere geval dat, door omstandigheden gedwongen, wordt overgegaan tot een substantiële en structurele vermindering van de arbeidstijd van de werknemer. Volgens de Hoge Raad moet hierbij gedacht worden aan het noodzakelijkerwijs gedeeltelijk vervallen van arbeidsplaatsen wegens bedrijfseconomische omstandigheden en aan blijvende gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van de werknemer. Onder een substantiële vermindering van de arbeidstijd moet volgens de Hoge Raad worden verstaan een vermindering van de arbeidstijd met ten minste 20%. En onder een structurele vermindering van de arbeidstijd een vermindering die naar redelijke verwachting blijvend zal zijn.

Zou voornoemde aanspraak op een gedeeltelijke transitievergoeding niet worden aanvaard, dan zou de werknemer door een substantiële en structurele vermindering van de arbeidstijd een deel van de transitievergoeding mislopen waarop de werknemer bij een gehele beëindiging van de arbeidsovereenkomst wel aanspraak zou hebben. Bovendien zou een werknemer bij een na die vermindering plaatsvindende gehele beëindiging van de arbeidsovereenkomst een op aanmerkelijk lagere grondslag berekende transitievergoeding ontvangen dan zonder die vermindering het geval zou zijn. Volgens de Hoge Raad dienen de omstandigheden die hebben geleid tot de substantiële en structurele vermindering van de arbeidstijd niet voor rekening van de werknemer te komen.

Onder een gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst dient volgens de Hoge Raad geen onderscheid te worden gemaakt in (I) een gedeeltelijke beëindiging, (II) een algeheel ontslag gevolgd door een nieuwe, aangepaste, arbeidsovereenkomst, of (III) een aanpassing van de arbeidsovereenkomst. In al deze gevallen bestaat volgens de Hoge Raad aanspraak op een gedeeltelijke transitievergoeding. De gedeeltelijke transitievergoeding dient dan berekend te worden naar evenredigheid van de vermindering van de arbeidstijd en uitgaande van het loon waarop voorheen aanspraak bestond.

Betekenis:

Bijzondere onderwijsinstellingen dienen acht te slaan op voornoemd arrest van de Hoge Raad. Op arbeidsongeschikte werknemers is immers de Zavo / Zapo van toepassing, waarin (onder meer) in artikel 20 sub g / artikel 20 lid 7 is opgenomen:

“Als bij het onderzoek naar de blijvende ongeschiktheid voor zijn betrekking, bedoeld in de voorgaande leden, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in het kader van de WIA-claimbeoordeling van oordeel is, dat de werknemer arbeidsgeschikt is voor en herplaatsbaar in zijn eigen betrekking onder andere voorwaarden, dan wel in één of meer andere functies bij de werkgever, is ontslag slechts mogelijk indien de werknemer direct aansluitend onder die andere voorwaarden in zijn betrekking, dan wel in die andere functie of één van de andere functies wordt benoemd.”

In de Zavo /Zapo wordt dus gesproken over een ontslag met een aansluitende herbenoeming. In feite is er dan sprake van een deeltijdontslag, of indien een herplaatsing voor minder uren in een andere functie plaatsvindt, een wijzigingsontslag. Het arrest van de Hoge Raad volgende, is het zo dat elk deeltijd- of wijzigingsontslag op grond van artikel 20 sub g Zavo /artikel 20 lid 7 Zapo gepaard gaat met het betalen van een transitievergoeding naar rato aan de werknemer in kwestie. De werkgever in kwestie dient hier rekening mee te houden. Alleen indien partijen een beëindigingsovereenkomst sluiten – een overeenkomst strekkende tot het beëindigen van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden – heeft de werknemer geen recht op een transitievergoeding (naar rato). Echter, waarschijnlijk laten weinig werknemers zich verleiden tot het ondertekenen van een beëindigingsovereenkomst zonder enige geldelijke vergoeding, zelfs als er aansluitend een arbeidsovereenkomst op volgt met minder uren.

Goed nieuws voor de bijzondere onderwijsinstellingen is wel dat de Wet compensatie transitievergoeding per 1 april 2020 in werking zal treden. Middels deze wet krijgen werkgevers compensatie voor de transitievergoeding die zij vanaf 1 juli 2015 in geval van ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid na twee jaar ziekte aan de werknemer hebben moeten betalen. Hoewel dit niet uitdrukkelijk in de wet is opgenomen, zal dit naar verwachting ook gelden voor deeltijdontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid.

Voorzichtigheid geboden bij publicatie namen geslaagden

Voorzichtigheid geboden bij publicatie namen geslaagden
De examens zijn ten einde en voor de leerlingen stijgt de spanning, ben ik geslaagd of niet?

Veel scholen plaatsen de namen en woonplaats van de geslaagden in een (regionaal) dagblad.

Nu de AVG (Algemene Verordening Gegevensbescherming) sinds 25 mei 2018 in werking is getreden, zal het openbaar maken van de namen van de geslaagden en hun woonplaats echter niet meer zo vanzelfsprekend zijn.

Toestemming
Er is namelijk toestemming vereist voor het gebruik van deze persoonsgegevens. Artikel 6 lid 1 aanhef en sub a van de AVG bepaalt dat de school toestemming dient te krijgen van de leerling om zijn gegevens -in dit geval: naam en woonplaats- te mogen gebruiken voor de plaatsing van de advertentie in het dagblad.

Is de leerling echter jonger dan 16 jaar, dan volgt uit artikel 8 lid 1 van de AVG dat de ouders (of degene die het gezag over de leerling hebben) hiervoor toestemming dienen te geven aan de school.

Sanctiemogelijkheden
Mocht de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) hebben vastgesteld dat de school geen toestemming hebben van de leerling of de ouderlijk verantwoordelijke, dan kan de AP een boete opleggen van maximaal € 20.000.000,00. In plaats van een boete opleggen, zou de AP ook een sanctie kunnen opleggen om de overtreding te beëindigen of de nadelige gevolgen die voortvloeien uit de overtreding te herstellen.

Aansprakelijkheid
Tevens kunnen ouders (namens hun kind) de school aansprakelijk stellen als de school onzorgvuldig omgaat met de persoonsgegevens van hun kind of als zij persoonsgegevens van hun kind zonder toestemming publiceert.

Voorzichtigheid is dus geboden!

Kunnen bestuurders en toezichthouders van een schoolbestuur aansprakelijk gesteld worden?

Kunnen bestuurders en toezichthouders van een schoolbestuur aansprakelijk gesteld worden? Deze vraag kwam aan de orde bij de nieuwbouw van ROC Leiden.

aansprakelijk

Al gedurende enige tijd staat de aansprakelijkheid van bestuurders en toezichthouders bij instellingen in de semipublieke sector in de belangstelling. Ook de grootschalige nieuwbouw van het ROC Leiden heeft volop aandacht gekregen. Het ROC Leiden kwam in 2011 in financiële problemen door de bouw van twee nieuwe schoolgebouwen bij station Leiden Centraal bij het Lammenschanspark. Het ROC Leiden wilde een gedeelte van de twee gebouwen gebruiken voor eigen onderwijs. Een andere gedeelte wilde zij gaan verhuren, met name aan leerwerkbedrijven. De gebouwen waren dusdanig duur dat een faillissement dreigde. Het ROC Leiden werd gered met een lening van 40 miljoen euro van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Deze lening is later omgezet in een subsidie van de zijde van de overheid.

 

Vervolgens kwam de vraag aan de orde of de bestuurders en toezichthouders van het ROC Leiden persoonlijk aansprakelijk gesteld konden worden voor de schade die het ROC door hun beleid had geleden. In 2015 werd in opdracht van de minister van Onderwijs door de Commissie Meurs de gang van zaken binnen het ROC bekeken en werd de rol van de bestuurders en toezichthouders onderzocht. De commissie concludeerde dat onderzoek gedaan moest worden naar de vraag of de bestuurders aansprakelijk waren wegens onbehoorlijk bestuur. Voor een onderzoek naar de aansprakelijkheid van de toezichthouders bestond volgens de commissie geen aanleiding. Desondanks volgde er een procedure van het ROC op grond van onbehoorlijk bestuur tegen zowel de voormalige bestuurders als een aantal voormalige toezichthouders. Op 28 februari 2018 heeft de Rechtbank Midden-Nederland  zich uitgesproken over de aansprakelijkheid van de bestuurders en toezichthouders (vindplaats: ECLI:NL:RBMNE:2018:723).

 

De rechtbank start haar beoordeling met het weergeven van het toetsingskader dat uit de wet volgt en zich verder heeft ontwikkeld in de rechtspraak. Een bestuurder, die in de vervulling van zijn taak tekort is geschoten, is alleen aansprakelijk voor de schade die een rechtspersoon als gevolg daarvan lijdt als hem ter zake een ernstig verwijt kan worden gemaakt (artikel 2:9 BW). Of in een bepaald geval plaats is voor een ernstig verwijt als hier bedoeld, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Tot de in aanmerking te nemen omstandigheden behoren onder meer

  1. de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten,
  2. de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico’s,
  3. de taakverdeling binnen het bestuur,
  4. de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen,
  5. de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of gedragingen,
  6. alsmede het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult.

(Hoge Raad, 10 januari 1997,NJ 1997, 360 Staleman / Van de Ven).

 

Het hoofdverwijt van het ROC houdt in dat het bestuur, zonder alle risico’s in kaart te brengen, heeft besloten tot de bouw van twee panden met dusdanig grote financiële consequenties dat het ROC niet in staat was deze te dragen.

Omdat het ROC dit verwijt niet nader heeft onderbouwd, oordeelt de rechtbank dat dit niet tot bestuurdersaansprakelijkheid kan leiden.

 

Het ROC maakt de bestuurders ook nog een aantal meer specifieke verwijten, waarvan de voornaamste zijn:

  1. Het ROC Leiden stelt dat de bestuurders in strijd met de statuten hebben gehandeld, omdat zij hebben besloten om een nieuwbouw van 100.000 m2 te realiseren waarvan slechts 39.400 m2 voor eigen gebruik zou zijn.
  2. De rest was bestemd voor commerciële exploitatie en verhuur aan derden. Daarmee zou het onaanvaardbare risico zijn genomen dat geen exploitanten of huurders gevonden zouden kunnen worden.
  3. Er zouden overeenkomsten gesloten zijn die onaanvaardbaar grote financiële risico’s met zich brachten.

 

Ten aanzien van punt één haalt de rechtbank het arrest van de Hoge Raad van 29 november 2002 aan (NJ 2003, 647, Schwandt/Berghuizer Papierfabriek). Volgens dat arrest levert het handelen in strijd met een statutaire bepaling die beoogt de rechtspersoon te beschermen een ernstig verwijt op.

 

Tegenover het verwijt van het ROC, dat het in strijd met de statuten is om niet-onderwijsgerelateerd te bouwen, stellen de bestuurders dat juist het grootste deel van het oppervlak onderwijsgerelateerd is en verband houdt met de primaire onderwijsvoorzieningen van het ROC Leiden. Door de vestiging van leerwerkbedrijven in hetzelfde gebouw zouden leerwerkparken ontstaan. Dat paste in de trend van dat moment en bovendien bood het aan de leerlingen de mogelijkheid om representatieve praktijkervaring op te doen en stage te lopen. Voorts is het gebouw bij het station Leiden Centraal, waar de opleiding Gezondheidszorg en Welzijn gevestigd is, gelegen in de nabijheid van de twee Leidse ziekenhuizen die bij de opleiding betrokken zijn. Het pand bij het Lammenschanspark zou onder meer gedeeld worden met het Da Vinci College – een onderwijsinstelling voor vmbo-onderwijs – waarbij de vestiging in hetzelfde pand leerlingen zou trekken van het Da Vinci College naar het ROC.

 

Het overige, niet onderwijsgerelateerde, deel van oppervlakte van de nieuwbouw was volgens de bestuurders door de gemeente verplicht. Bij het verlenen van de bouwvergunning zou het volledig benutten van het bouwvolume als eis zijn gesteld.

 

De rechtbank meent dat de bestuurders niet in strijd met het statutaire doel van het ROC hebben gehandeld. Het onderwijsgerelateerde deel van de nieuwbouw betreft het grootste deel van de oppervlakte en dit onderwijsgerelateerde deel dient de belangen van het ROC. Het niet-onderwijsgerelateerde deel is veel kleiner en dit deel moest gerealiseerd worden; anders kon het onderwijsgerelateerde deel ook niet worden gebouwd. Voorts had het ROC nog belang bij de twee locaties. Het Lammenschanspark omdat daar het Da Vinci Collega was gevestigd en het Centraal Station omdat dat nabij de twee Leidse ziekenhuizen was.

 

Ten aanzien van punt twee, inhoudende dat een onaanvaardbaar groot financieel risico is genomen door commerciële ruimten te bouwen voor de verhuur, overweegt de rechtbank dat er ten tijde van het nemen van het bouwbesluit voldoende reden was om ervan uit te gaan dat in ieder geval de oppervlakte die bestemd was voor leerwerkbedrijven verhuurd zou kunnen worden. Dit is later ook bewaarheid geworden. Minder dan 15 % van de ruimten, bestemd voor verhuur, bleef uiteindelijk onverhuurd. Alleen al op grond daarvan kan volgens de rechtbank niet gezegd worden dat met het realiseren van de twee panden met ruimtes, bestemd voor de verhuur, een onaanvaardbaar groot risico op leegstand is genomen.

 

Het derde verwijt – er zouden overeenkomsten gesloten zijn met onaanvaardbaar grote risico’s tot gevolg – is volgens de rechtbank evenmin terecht. Van belang in de overwegingen van de rechtbank zijn de volgende omstandigheden: De bestuurders hebben gevaren op geactualiseerde meerjarenprognoses. Zij hebben zich laten bijstaan door diverse externe deskundigen, waarop het bestuur mocht vertrouwen. Ten tijde van de besluitvorming was de financiële crisis en de daarmee verband houdende vastgoedcrisis nog niet begonnen en was toen ook nog niet voorzienbaar.

 

De rechtbank komt tot de slotsom dat het voormalige bestuur van het ROC geen ernstig verwijt te maken valt. De rechtbank wijst op de geest van die tijd, waarbij mbo-instellingen werden gestimuleerd tot concurrentie en tot het ontwikkelen van leerwerkparken. Het bouwproject past in die trend.

 

De uitspraak maakt duidelijk dat de vraag of er ernstig verwijtbaar is gehandeld door het bestuur, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van toen en de kennis van toen. Het gaat er niet om of een besluit fout is met de kennis van nú. Een besluit mag best achteraf fout blijken te zijn, als het maar weloverwogen is genomen en paste bij het belang van de rechtspersoon.

 

Met de aansprakelijkheid van de toezichthouders is de rechtbank overigens heel snel klaar. De Commissie Meurs had in 2015 namelijk al geconcludeerd dat er geen aanleiding was om het handelen van de toezichthouders nader onder de loep te nemen.  Dat het ROC desalniettemin heeft besloten de toezichthouders te dagvaarden vindt de rechtbank duidelijk niet kies. De rechtbank merkt daaromtrent het volgende op:

 

“De rechtbank hecht eraan om over de vorderingen voor zover ingesteld tegen de Toezichthouders nog het volgende op te merken. De Commissie Meurs heeft geconcludeerd dat voor nader onderzoek naar persoonlijk verwijtbaar handelen van de leden van de Raad van Toezicht geen aanleiding bestond, omdat er geen grond is om te veronderstellen dat in eenzelfde context, setting en tijd, een anders bezette Raad van Toezicht heel veel anders zou hebben geopereerd. In het licht hiervan is het op zijn minst opmerkelijk dat ROC Leiden c.s. de Toezichthouders desondanks en zelfs zonder specifieke stellingen tegen hen in te nemen in rechte heeft betrokken, zeker als bedacht wordt dat de impact daarvan groot verondersteld kan worden.”

Ontslag op staande voet na niet verwijderen LinkedIn-connecties houdt geen stand

Ontslag op staande voet na niet verwijderen LinkedIn-connecties houdt geen stand

Een werknemer zegt tegen zijn werkgever (een recruitmentbureau) dat hij voor zichzelf wil beginnen. Het recruitmentbureau legt hem een vaststellingsovereenkomst voor die hij vervolgens afwijst. Een week later ontvangt werknemer een officiële waarschuwing omdat hij onvoldoende zou functioneren en concurrerende nevenwerkzaamheden onder werktijd zou verrichten. Hierbij zou werknemer gebruik maken van kandidaten van het recruitmentbureau die hij had toegevoegd als connecties op LinkedIn. Dezelfde maand ontslaat het recruitmentbureau de werknemer op staande voet en sommeert de werknemer de betreffende LinkedIn-connecties te verwijderen.

Rb: De kantonrechter vernietigt het ontslag op staande voet. Werkgever heeft het niet aannemelijk kunnen maken dat werknemer onder werktijd bezig was met het voorbereiden van concurrerende werkzaamheden. De toegevoegde LinkedIn-connecties werden door werknemer gebruikt bij zijn werk voor het recruitmentbureau. Bovendien moest werknemer juist van werkgever de connecties toevoegen op LinkedIn en was niet afgesproken dat werknemer deze connecties op enig moment diende te verwijderen. Er was daarom geen sprake van een dringende reden voor ontslag.

Verder vernietigt de kantonrechter het overeengekomen concurrentiebeding gedeeltelijk door het beding in tijd te beperken. Mede gezien het korte dienstverband van werknemer bij het recruitmentbureau, zou hij namelijk onbillijk worden benadeeld bij een volledige handhaving van het beding.

De kantonrechter wijst het verzoek tot betaling van een boete wegens overtreding van het concurrentiebeding af. Het is namelijk onvoldoende onderbouwd dat werknemer dit beding overtreden heeft. Ten slotte hoeft de werknemer ook niet de 900 LinkedIn-connecties die hij heeft gemaakt tijdens zijn dienstverband te verwijderen. Hierover zijn immers geen afspraken gemaakt. Bovendien vallen de connecties niet onder bedrijfsmiddelen en – voor wat betreft de kandidaten van het recruitmentbureau – ook niet onder relaties.

Verbod op dragen lange mouwen niet discriminerend

Werkneemster is in dienst bij een ziekenhuis als coördinerend medewerker op de afdeling bloedafname. Vanwege haar islamitische geloof bedekt zij haar armen. Het ziekenhuis heeft, onder verwijzing naar haar beleid voor dienstkleding dat is gebaseerd op de richtlijn van de Werkgroep Infectie Preventie, laten weten hier niet mee in te stemmen. Dienstkleding moet de onderarmen onbedekt laten, zodat een goede handhygiëne mogelijk is. De werkneemster stelt dat sprake is van discriminatie op grond van godsdienst.

Het College stelt vast dat sprake is van onderscheid op grond van godsdienst. Het onderscheid is echter gerechtvaardigd vanwege het doel om infecties zo goed mogelijk te voorkomen. Het ziekenhuis hoefde de door de werkneemster aangedragen alternatieven, zoals het onbedekt laten van haar armen bij contacten met patiënten en het gebruiken van losse wegwerp-/afritsmouwen en oprolbare driekwartmouwen, niet te accepteren, nu hierbij niet dezelfde bescherming wordt geboden tegen infecties als bij onbedekte onderarmen. Het belang van het ziekenhuis weegt daarom zwaarder dan dat van de werkneemster.

Terug