Ontslag op staande voet na niet verwijderen LinkedIn-connecties houdt geen stand

Ontslag op staande voet na niet verwijderen LinkedIn-connecties houdt geen stand

Een werknemer zegt tegen zijn werkgever (een recruitmentbureau) dat hij voor zichzelf wil beginnen. Het recruitmentbureau legt hem een vaststellingsovereenkomst voor die hij vervolgens afwijst. Een week later ontvangt werknemer een officiële waarschuwing omdat hij onvoldoende zou functioneren en concurrerende nevenwerkzaamheden onder werktijd zou verrichten. Hierbij zou werknemer gebruik maken van kandidaten van het recruitmentbureau die hij had toegevoegd als connecties op LinkedIn. Dezelfde maand ontslaat het recruitmentbureau de werknemer op staande voet en sommeert de werknemer de betreffende LinkedIn-connecties te verwijderen.

Rb: De kantonrechter vernietigt het ontslag op staande voet. Werkgever heeft het niet aannemelijk kunnen maken dat werknemer onder werktijd bezig was met het voorbereiden van concurrerende werkzaamheden. De toegevoegde LinkedIn-connecties werden door werknemer gebruikt bij zijn werk voor het recruitmentbureau. Bovendien moest werknemer juist van werkgever de connecties toevoegen op LinkedIn en was niet afgesproken dat werknemer deze connecties op enig moment diende te verwijderen. Er was daarom geen sprake van een dringende reden voor ontslag.

Verder vernietigt de kantonrechter het overeengekomen concurrentiebeding gedeeltelijk door het beding in tijd te beperken. Mede gezien het korte dienstverband van werknemer bij het recruitmentbureau, zou hij namelijk onbillijk worden benadeeld bij een volledige handhaving van het beding.

De kantonrechter wijst het verzoek tot betaling van een boete wegens overtreding van het concurrentiebeding af. Het is namelijk onvoldoende onderbouwd dat werknemer dit beding overtreden heeft. Ten slotte hoeft de werknemer ook niet de 900 LinkedIn-connecties die hij heeft gemaakt tijdens zijn dienstverband te verwijderen. Hierover zijn immers geen afspraken gemaakt. Bovendien vallen de connecties niet onder bedrijfsmiddelen en – voor wat betreft de kandidaten van het recruitmentbureau – ook niet onder relaties.

Verbod op dragen lange mouwen niet discriminerend

Werkneemster is in dienst bij een ziekenhuis als coördinerend medewerker op de afdeling bloedafname. Vanwege haar islamitische geloof bedekt zij haar armen. Het ziekenhuis heeft, onder verwijzing naar haar beleid voor dienstkleding dat is gebaseerd op de richtlijn van de Werkgroep Infectie Preventie, laten weten hier niet mee in te stemmen. Dienstkleding moet de onderarmen onbedekt laten, zodat een goede handhygiëne mogelijk is. De werkneemster stelt dat sprake is van discriminatie op grond van godsdienst.

Het College stelt vast dat sprake is van onderscheid op grond van godsdienst. Het onderscheid is echter gerechtvaardigd vanwege het doel om infecties zo goed mogelijk te voorkomen. Het ziekenhuis hoefde de door de werkneemster aangedragen alternatieven, zoals het onbedekt laten van haar armen bij contacten met patiënten en het gebruiken van losse wegwerp-/afritsmouwen en oprolbare driekwartmouwen, niet te accepteren, nu hierbij niet dezelfde bescherming wordt geboden tegen infecties als bij onbedekte onderarmen. Het belang van het ziekenhuis weegt daarom zwaarder dan dat van de werkneemster.

Aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van een ernstig ongeval tijdens een gymles?

Kan een school aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van een ernstig ongeval tijdens een gymles? Deze vraag moest de rechtbank Noord-Holland recent beantwoorden.

Aansprakellijk

Tijdens een tikspel kwam een leerling met zijn hoofd tegen de muur van de gymzaal terecht, waardoor hij zijn vijfde nekwervel brak en een incomplete dwarslaesie opliep. De vertegenwoordigers van de leerling verweten de school dat zij haar zorgplicht niet was nagekomen. De rechtbank oordeelde in haar   algemeenheid dat een ongeval tijdens een gymnastiekoefening niet zonder meer tot de conclusie kan leiden dat sprake is van onzorgvuldig en daarmee onrechtmatige handelen aan de kant van de school. Gymnastiekoefeningen zijn enerzijds van belang voor de lichamelijke vorming en ontwikkeling van kinderen en anderzijds is daar een bepaalde mate van gevaar aan verbonden. De school dient te zorgen voor een veilige omgeving waarin het risico van letsel zoveel als redelijkerwijs mogelijk dient te worden vermeden, aldus de rechtbank. Vervolgens ging de rechtbank nader in op een aantal aspecten van deze zorgplicht.

Op de eerste plaats werd door de vertegenwoordigers van de leerling aangevoerd dat de kleine gymzaal niet geschikt was voor tikspellen en dat ook de muren geen valkussens hadden om te voorkomen dat leerlingen zich zouden bezeren aan deze muren. De rechtbank oordeelde dat de mate van waarschijnlijkheid dat een leerling bij een tikspel in volle vaart met zijn hoofd tegen een muur aan loopt niet zodanig groot is dat gezegd kan worden dat de gymleraar ter voldoening van zijn zorgplicht, gehouden was om af te zien van dat spel dan wel valkussens aan te brengen, dan wel de leerlingen ervoor te waarschuwen dat de muren geen valkussens hadden. Bovendien is het naar de mening van de rechtbank een feit van algemene bekendheid dat kinderen reeds op jonge leeftijd en zonder enige instructies tikspelletjes doen.

Een volgend verwijt was dat voorafgaand aan de les leerlingen zich hadden misdragen waardoor er een gespannen sfeer was en een aantal leerlingen ook de klas was uitgestuurd. De rechtbank oordeelde dat er niet was komen vast te staan dat er een gespannen sfeer was en bovenal, hetgeen belangrijk is, dat deze gespannen sfeer had bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval.

Tenslotte werd aangevoerd dat de gymdocent onvoldoende actief geweest was tijdens de les. Tussen partijen was er verschil van mening of de docent aan de kant had gezeten met een laptop of in het midden van de gymzaal stond. De rechtbank kwam tot de conclusie dat in een sportzaal waar een groep kinderen in de leeftijd van 15 jaar een tikspel speelt, een verantwoorde wijze van toezicht houden, niet betekent dat steeds op elk kind direct toezicht wordt gehouden, zodanig dat er onregelmatigheden direct opgemerkt kunnen worden. De rechtbank was van mening dat een gymleraar die, zo werd aangenomen, zich positioneert in het midden van het spel, voldoende toezicht houdt. Nooit geheel kan worden uitgesloten dat met een individuele leerling dan een ongeval gebeurt.

Op basis van bovenstaande overweging kwam de rechtbank uiteindelijk tot de conclusie dat de school en de gymleraar hadden gehandeld binnen de grenzen van hun zorgplicht. De vorderingen werden dan ook afgewezen.

Indien u meer informatie wenst over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Herman Berendsen via berendsen@onderwijskantoor.nl
dan wel via 045 – 560 22 00. Klik hier voor meer informatie.

Nieuwe privacyregels

privacyNieuwe privacyregels

Op 25 mei 2018 wordt de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) vervangen door de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). De AVG is van toepassing als er persoonsgegevens worden verwerkt. Als organisatie ontkom je dus bijna niet aan de AVG.

Wat staat u te wachten?

Verbetering positie van de werknemers/klanten

Zij krijgen nieuwe privacy rechten en hun bestaande rechten worden sterker, zoals:

  • het recht op inzage;
  • het recht op rectificatie en aanvulling;
  • het recht op beperking van de verwerking;
  • het recht op een menselijke blik bij besluiten;
  • het recht op bezwaar;
  • het recht op dataportabiliteit (nieuw);
  • het recht om vergeten te worden (nieuw).

Organisaties krijgen meer verplichtingen

Zoals:

  • uitvoeren van een privacy impact assessment;
  • aanstellen van een functionaris voor de gegevensbescherming;
  • uitbreiding van de documentatieverplichting;
  • uitbreiding van de (on/offline) privacyverklaring;
  • meldplicht bij datalekken.

Daarnaast wordt de handhaving voor de hele EU gelijk getrokken en kan de toezichthouder boetes uitdelen die kunnen oplopen tot € 20.000.000,- of 4% van de omzet.

Mocht u nog verdere informatie wensen over de nieuwe wetgeving en de mogelijke implicaties voor uw bedrijf, dan kunt u contact opnemen met de heer Rick Coenen via coenen@sijbenpartners.nl dan wel 045–5602200.

Uitspraak geschillencommissie WMS

uitspraak wmsUitspraak geschillencommissie WMS

Ruim een week geleden hebben wij u geattendeerd op de risico’s die het bevoegd gezag loopt zodra de MR dan wel een geleding van de MR deskundigen gaat inschakelen en de kosten voor deze deskundigen neerlegt bij het bevoegd gezag.

Het verheugt ons u te kunnen wijzen op een uitspraak van de geschillencommissie WMS waarin de commissie een halt toeroept aan het te snel inroepen van deskundigen en het neerleggen van de rekening bij het bevoegd gezag hiervoor.

Voor de volledige uitspraak verwijs ik u naar bijgaande link.

https://onderwijsgeschillen.nl/uitspraken/nalevingsgeschil-de-kosten-van-het-raadplegen-van-een-deskundige-zijn-niet-redelijkerwijs

Kosten voor medezeggenschap kunnen de pan uit rijzen

faciliteitenregeling medezeggenschapKosten voor medezeggenschap kunnen de pan uit rijzen

Met de inwerkingtreding van de Wet Versterking Bestuurskracht per 1 januari 2017 is artikel 28 van de Wet medezeggenschap op scholen gewijzigd. Indien een MR voorheen een deskundige wilde inhuren was men afhankelijk van een door het bevoegd gezag hiervoor te maken regeling. Vanaf 1 januari 2017 hoeft de MR hier niet meer op te wachten. Indien een deskundige wordt ingehuurd, dit vooraf gemeld wordt aan het bevoegd gezag en de inhuur noodzakelijk is, moeten deze kosten vergoed worden door het bevoegd gezag.

Grote vraag is natuurlijk of de inhuur van deskundigen noodzakelijk is. Om discussies en onzekerheid hierover te voorkomen kunnen bevoegd gezag en medezeggenschap een faciliteitenregeling vaststellen waarin de afspraken vastliggen over het vergoeden van kosten voor deskundigen.

Op deze wijze krijgt de MR vooraf zekerheid of kosten vergoed worden en voorkomt het bevoegd gezag dat ze achteraf met hoge kosten wordt geconfronteerd waar ze geen vat op heeft.

Indien u verdere informatie wenst over genoemde wijziging of over de mogelijkheden van een faciliteitenregeling kunt u contact opnemen met de heer Herman Berendsen via berendsen@onderwijskantoor.nl dan wel 045 – 560 22 00.

 

 

Inwerkingtreding Wet Bisschop

Inwerkingtreding Wet BisschopWet Bisschop

Op 1 juli aanstaande treedt de Wet Bisschop c.s. in werking.[i] De Wet tracht de beroepsmatige vrijheid van leraren beter te beschermen tegen ingrijpen van de overheid en de Inspectie voor het onderwijs in het bijzonder.

De mogelijkheid om toezicht te houden op het onderwijs is geregeld in de Wet op het onderwijstoezicht (Wot). De huidige Wot onderscheidt twee specifieke taken die door de Inspectie van het Onderwijs worden verricht. Enerzijds het beoordelen en bevorderen van de kwaliteit van het onderwijs en anderzijds het beoordelen en bevorderen van de naleving van de bij of krachtens een Onderwijswet gegeven voorschriften.

Voor wat betreft de kwaliteitsaspecten moet een onderscheid worden aangebracht tussen de basiskwaliteit en de kwaliteit in algemene zin. De basiskwaliteit is gebaseerd op de wettelijke deugdelijkheidseisen die de minimumkwaliteit van het onderwijs waarborgt en die bij niet naleven tot sancties leiden. Het betreffen eisen gebaseerd op de onderwijswetten. De kwaliteit in algemene zin daarentegen is de aanvullende kwaliteit aan de basiskwaliteit. Hieronder vallen alle inspanningen van de Inspectie die worden verricht om het onderwijs te bevorderen.
Het niet naleven van deze algemene kwaliteitscriteria kan dus niet tot een sanctie leiden[ii].[iii].

In het nieuwe artikel 3 Wot wordt het onderscheid gemaakt tussen het toezien op de naleving van de bij of krachtens een Onderwijswet gegeven voorschriften (hetgeen tot een sanctie kan leiden) en het bevorderen van de ontwikkeling van een aantal kwaliteitsaspecten (hetgeen niet tot een sanctie kan leiden). Hiermee trachten de initiatiefnemers de controlerende taak en de kwaliteitsbevorderende taak nadrukkelijk uit elkaar te halen.

Het nieuwe toezicht is inmiddels ook vastgelegd in een nieuw onderzoekskader van de Inspectie voor het funderend en middelbaar onderwijs. In dit onderzoekskader maakt de Inspectie overeenkomstig de wetswijziging een duidelijk onderscheid tussen de deugdelijkheidseisen en eigen aspecten van kwaliteit van bestuur en scholen. Het onderzoekskader is van kracht per
1 augustus 2017.

Op 6 juni 2017 en 22 juni 2017 organiseert het Onderwijskantoor een tweetal lunchlezingen waar de Wet Bisschop uitgebreid aan bod komt.

 

[i] Wet van 8 april 2016 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet primair onderwijs BES, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs BES en de Wet op het onderwijstoezicht in verband met een doeltreffender regeling van het onderwijstoezicht.

[ii] Tweede Kamer, 2013-2014, 33862, nr. 3, pag. 14

[iii] Tweede Kamer, 2000–2001, 27 783, nr. 3, pag. 14

Terug