VO-congres 2019

VO-congres 2019

Het Onderwijskantoor is wederom aanwezig tijdens het VO-congres van de VO-raad, dit jaar op donderdag 28 maart 2019.

Voor elk rechtsgebied een specialist

De volgende specialisten van Het Onderwijskantoor zullen u bij onze stand bijpraten en uw vragen beantwoorden ten aanzien van verschillende onderwijsthema’s.

Herman Berendsen       onderwijsrecht, aanbestedingsrecht, onderwijshuisvesting en -bekostiging, arbeidsrecht voor schoolbesturen

Sylvana Klein               informatie over lunchlezingen, incompany lezingen, mantelovereenkomsten met Het Onderwijskantoor

Kevin Meegdes             opstellen contracten, contractadvies, aanbestedingsrecht

Kim Oligschlager          onderwijsspecifieke aanbestedingen, contracten, privacy, rechtmatigheidscontrole accountant

Marion van Roekel       arbeidsrecht voor schoolbesturen, onderwijsrecht

Cindy Schröder            onderwijshuisvesting en -bekostiging

Gigi Schutte                onderwijsspecifieke aanbestedingen, beleidsadvies, contracten, rechtmatigheidscontrole accountant

 

Maak kans op een workshop bij u op school

Wij nodigen u uit om deel te nemen aan onze prikkelende stelling, die wij u voorleggen bij onze stand. Onder de deelnemers aan de stelling verloten wij 3 workshops, die kosteloos door onze specialisten in de school (incompany) worden verzorgd.

Dus kom naar onze stand, geef uw mening, kruis aan welke workshop uw voorkeur heeft en binnen één week na het VO-congres maken wij de winnaars bekend!

Wij hopen u weer te verwelkomen op 28 maart 2019!

Ontslag op staande voet wegens wegnemen spullen blijft in stand

ontslag op staande voet

Ontslag op staande voet wegens wegnemen spullen blijft in stand

Werknemer is per 1 januari 2009 in dienst getreden van FVH, een schoonmaak- en huismeesterbedrijf. Op 3 oktober 2018 is werknemer op staande voet ontslagen wegens het wegnemen en/of meenemen van spullen, omdat hij een derde in het pand van een opdrachtgever van FVH heeft toegelaten en omdat werknemer tijdens het onderzoek verschillende, tegenstrijdige, verklaringen heeft afgelegd. Werknemer verzoekt in deze procedure vernietiging van het ontslag op staande voet.

Volgens de kantonrechter is sprake van een rechtsgeldig ontslag op staande voet. Het verleende ontslag is onverwijld gegeven; het past bij de eisen van goed werkgeverschap dat een werknemer eerst gehoord wordt alvorens tot het ontslag op staande voet over te gaan. Het is vaste rechtspraak dat het eerst aanbieden van een vaststellingsovereenkomst niet in de weg staat aan het voldoen aan de onverwijldheidseis. Er is sprake van een dringende reden. Volgens de kantonrechter wist, of behoorde, werknemer te weten dat hij zonder expliciete toestemming van FVH of de opdrachtgever geen spullen uit het pand van de opdrachtgever mocht meenemen of meegeven aan derden, ook niet als het in zijn ogen ging om zaken waarvan afstand was gedaan dan wel afval. Het ontslag op staande voet blijft in stand; het verzoek van werknemer wordt afgewezen.

Geen discriminatie bij het maken van klassenfoto’s

Geen discriminatie bij het maken van klassenfoto’s (ECLI:NL:GHDHA:2018:3262)

 

Het Gerechtshof Den Haag heeft op 4 december jl. een interessante uitspraak gewezen in het kader van artikel 7 lid 1, aanhef en sub c Algemene Wet Gelijke Behandeling welk artikel kort gezegd verbiedt om te discrimineren bij het aanbieden van of verlenen van toegang tot diensten en bij het sluiten, uitvoeren of beëindigen van overeenkomsten daarover door (onder andere) onderwijsinstellingen.

Feiten

Het feitencomplex in de onderhavige zaak was als volgt. Twee zusjes uit een Islamitisch gezin zaten op een openbare basisschool in Den Haag.

De stichting waartoe voornoemde school behoorde, was met de schoolfotograaf overeengekomen dat op 24 september 2015 individuele foto’s en groepsfoto’s gemaakt zouden worden van alle leerlingen. Deze datum was ook in de jaarplanning van de school opgenomen, welke jaarplanning begin juli 2015 onder de ouders van de leerlingen was gecirculeerd.

De moeder van de zusjes had op 17 september 2015 verlof aangevraagd voor haar twee dochters op 24 september 2015 aangezien op die dag het Offerfeest gevierd zou worden. Het Offerfeest is een belangrijke Islamitische feestdag dat begint op de 10e dag van de twaalfde maand van de Islamitische kalender. De eerste dag van de maand wordt bij de Islamitische kalender bepaald aan de hand van de (waarnemingen van) de maansikkel.

Bij de verlofaanvraag bleek het de stichting alsmede de moeder van de zusjes dat de dag waarop de schoolfotograaf zou komen, samenviel met het Offerfeest. De stichting was er in haar jaarplanning namelijk van uit gegaan dat het Offerfeest op 23 september 2015 zou plaatsvinden.

De afspraak met de schoolfotograaf kon op dat moment niet meer verzet worden, hetgeen er toe heeft geleid dat de twee zusjes niet op de klassenfoto’s stonden die door de schoolfotograaf zijn gemaakt.

Later heeft de adjunct-directeur nieuwe groepsfoto’s gemaakt waarop de twee zusjes wel staan en is de schoolfotograaf opnieuw op school geweest om individuele foto’s te maken van de zusjes.

Oordeel in eerste aanleg (ECLI:NL:RBDHA:2017:7416)

Namens de zusjes werd gevorderd om te verklaren dat de stichting onrechtmatig had gehandeld jegens hen door te discrimineren op grond van geloofsovertuiging. Tevens werd een bedrag van EUR 10.000,- aan schadevergoeding gevorderd.

Voor wat betreft de individuele foto’s heeft de stichting volgens de Rechtbank Den Haag geen verboden onderscheid gemaakt aangezien de schoolfotograaf op een later moment is teruggekomen om ook van de zusjes een individuele foto te maken.

Wel was er volgens de Rechtbank Den Haag sprake van (indirecte) discriminatie ten aanzien van de mogelijkheid voor de leerlingen om klassenfoto’s te laten maken. Door de schoolfotograaf voor het maken van de klassenfoto’s op school te laten komen op de dag van het Offerfeest werden met name leerlingen met een bepaalde godsdienstige overtuiging beperkt in de mogelijkheid om van die dienst gebruik te maken.

Als gevolg van voornoemde discriminatie diende de stichting schadevergoeding voor een bedrag van EUR 500,- te betalen aan de zusjes.

Oordeel hoger beroep

De stichting was het niet eens met het oordeel van de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg dat er sprake was van (indirecte) discriminatie aan de zijde van de stichting en de op grond daarvan toegekende schadevergoeding aan de zusjes en zij ging in hoger beroep bij het Gerechtshof te Den Haag.

Op grond van de volgende omstandigheden kwam het Gerechtshof Den Haag tot het oordeel dat, voor zover de planningsfout van de stichting als discriminatie zou hebben te gelden, er in het onderhavige geval geen sprake is van een wezenlijk onderscheid:

  • de aard van de aangeboden dienst,

in het onderhavige geval het maken van klassenfoto’s;

  • het feit dat het samenvallen van de komst van de komst van de schoolfotograaf en het Offerfeest het gevolg was van een door de school betreurde onbedoelde ongelukkige planning;
  • het tijdstip waarop de vergissing aan het licht kwam,

kort voor de geplande datum;

  • de maatregelen die de stichting genomen heeft,

het zoeken naar een alternatieve datum met de schoolfotograaf, het vervroegen van het fotomoment van 8:45 naar 8:00 uur, het inzetten van meerdere fotografen, het maken van nieuwe klassenfoto’s door de adjunct-directeur op 14 oktober 2015 alsmede het door de schoolfotograaf laten maken van individuele foto’s van de leerlingen op 10 november 2015;

  • het eindresultaat,

er zijn nieuwe klassenfoto’s waar de zusjes ook op staan en er zijn individuele portretfoto’s van de zusjes gemaakt.

Aangezien het Gerechtshof Den Haag concludeerde dat er geen sprake is geweest van discriminatie bestaat voor de zusjes geen aanspraak (meer) op schadevergoeding.

Betekenis van de uitspraak voor de onderwijspraktijk

Het is raadzaam om bij het maken van een nieuwe jaarplanning waarin door de school gefaciliteerde diensten, zoals bijvoorbeeld het laten maken van schoolfoto’s, worden vastgelegd rekening te houden met alle feestdagen van de diverse geloofsovertuigingen. Dit om te voorkomen dat onverhoopt wordt gediscrimineerd hetgeen kan leiden tot het verschuldigd zijn van schadevergoeding.

Verder kan uit de uitspraak worden gedestilleerd dat het van belang is om voldoende compenserende maatregelen te treffen indien er op enig moment wel onbewust sprake is geweest van discriminatie, waarbij het van de omstandigheden van het geval zal afhangen of de getroffen maatregelen voldoende zijn en enige schadevergoeding kunnen afwenden.

Voorzieningenrechter keurt LIFO-concept goed

Voorzieningenrechter keurt LIFO-concept goed

 

Vandaag, 27 november 2018, heeft de rechtbank Den Haag een belangrijk vonnis gewezen inzake de aanbesteding van leermiddelen.

In geding was of het zogenaamde Licentiefolio-model, ontwikkeld door de Stichting Carmelcollege, vormgegeven mocht worden in een aanbestedingsprocedure zoals de Stichting dit had gedaan. Twee potentiele inschrijvers waren van mening dat deze procedure niet rechtmatig was en stelden hiertegen vorderingen in.

Vandaag is gebleken dat de rechtbank Den Haag van mening is dat alle vorderingen afgewezen dienen te worden. Zie ECLI:NL:RBDHA:2018:13949.

Dit betekent dat niet alleen het LIFO-concept, zoals ontwikkeld door de Stichting Carmelcollege, doorgang kan vinden maar ook de wijze waarbij zoveel mogelijk partijen worden uitgenodigd om mee te dingen naar de opdracht, door mag gaan.

Wij zullen u op korte termijn nader informeren over de inhoud van dit LIFO-concept en het vonnis van de rechtbank.

Kort geding tegen de Onderwijsinspectie wegens onjuiste rapporten

Kort geding tegen de Onderwijsinspectie wegens onjuiste rapporten

 

De Onderwijsinspectie is door de rechtbank Den Haag teruggefloten ter zake de vaststelling en openbaarmaking van haar rapporten in het kader van vierjaarlijkse reguliere onderzoeken op VO-scholen.

Op 25 oktober 2018 heeft de rechtbank Den Haag een uitspraak gedaan in een kort geding procedure die vier onderwijsinstellingen voor het voortgezet onderwijs jegens de Onderwijsinspectie hadden ingesteld.[1] Uit deze uitspraak blijkt dat een onderwijsinstelling zich niet zomaar hoeft neer te leggen bij de inhoud van een rapport van de Onderwijsinspectie, indien het rapport inhoudelijk onjuistheden bevat en er door de Onderwijsinspectie geen onderscheid is gemaakt tussen haar taken ten aanzien van het naleven van wettelijke voorschriften en bevindingen voor het stimuleren van kwaliteit (artikel 3 lid 1 onder a.1 en b.1 Wet op het onderwijstoezicht (hierna te noemen: Wot)). De voorzieningenrechter oordeelde dat de Onderwijsinspectie de betreffende rapporten moest intrekken, niet opnieuw met de betreffende inhoud mocht vaststellen en niet openbaar mocht maken.

De Onderwijsinspectie heeft de taak om toezicht te houden op scholen voor voortgezet onderwijs. Zij heeft onder meer als wettelijke taken het toezien op de naleving van de bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschriften en het bevorderen van de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs aan en het bestuur van instellingen als bedoeld in de onderwijswetten. In het kader van de door haar uit te voeren vierjaarlijkse onderzoeken heeft zij scholen bezocht die de onderwijsinstellingen in stand houden, en enkele rapporten vastgesteld. Na vaststelling worden de rapporten binnen vijf weken openbaar gemaakt (zie artikel 21 lid 1 Wot).

De onderwijsinstellingen kunnen zich niet vinden in de inhoud van de door de Onderwijsinspectie vastgestelde rapporten en starten een kort geding tegen de Onderwijsinspectie, waarbij zij vorderen om de rapporten in te trekken, de Onderwijsinspectie te verbieden de rapporten opnieuw vast te stellen met de betreffende inhoud en de Onderwijsinspectie te verbieden om de rapporten openbaar te maken.

De onderwijsinstellingen leggen ten grondslag aan hun vorderingen dat de rapporten in strijd zijn met artikel 20 lid 1 van de Wot nu in de rapporten geen onderscheid wordt gemaakt tussen oordelen over het naleven van wettelijke voorschriften en bevindingen voor het stimuleren van kwaliteit. Hierdoor zou bij de lezer van de rapporten ten onrechte de indruk kunnen worden gewekt dat de school in strijd met de wet handelt. Ook inhoudelijk waren de rapporten volgens de onderwijsinstellingen onjuist en onrechtmatig. In de rapporten stonden vele onjuistheden, die zeer negatief en schadelijk zijn voor de scholen indien de rapporten met de huidige inhoud zouden worden gepubliceerd.

De rechter oordeelde dat er (onder meer) suggestieve passages in de rapporten waren opgenomen, die voor de niet geoefende lezer een verkeerd beeld konden oproepen die niet conform de werkelijkheid was en schadelijk zou zijn voor de scholen. Zo had de Onderwijsinspectie bijvoorbeeld in een rapport ten aanzien van de vakken biologie, aardrijkskunde en geschiedenis, opgenomen dat ‘het de vraag was in hoeverre de school daarmee inhouden aanbiedt opklimmend in niveaus op een wijze die past bij de leeftijd van de leerlingen (Art. 2, tweede lid, onder a WVO)’. Volgens de voorzieningenrechter was niet voldaan aan het vereiste dat er helder onderscheid moet zijn tussen oordelen en bevindingen. Er werd in de geciteerde passage een vraag gesteld of de school wel voldeed aan artikel 2 lid 2 onder a WVO, maar die vraag werd vervolgens niet beantwoord. Mede gelet op de andere passages in het rapport, te weten dat het aanbod als onvoldoende werd beoordeeld omdat de scholen voor deze standaard niet zouden voldoen aan de wettelijke vereisten, werd hiermee wel de suggestie gewekt dat dit onder andere op dit punt niet het geval was. De voorzieningenrechter keek vervolgens naar de in het rapport genoemde afspraken over vervolgtoezicht en concludeerde dat het vervolgtoezicht niet zag op de vakken biologie, aardrijkskunde en geschiedenis.

De voorzieningenrechter concludeerde dat de Onderwijsinspectie in redelijkheid niet tot vaststelling van de rapporten heeft kunnen komen. De voorzieningenrechter oordeelde dat de rapporten met deze inhoud door de Onderwijsinspectie moesten worden ingetrokken, niet meer opnieuw mochten worden vastgesteld en niet openbaar mochten worden gemaakt. Het loont zich dus om de rapporten van de Onderwijsinspectie, ook al gaat het om de vierjaarlijkse reguliere onderzoeken, kritisch te bekijken en zo nodig rechtsmiddelen aan te wenden voordat dergelijke rapporten openbaar worden gemaakt.

Opmerkelijk is dat één van de onderwijsinstellingen in deze procedure in 2015 ook een poging had gedaan om openbaarmaking van een rapport van de Onderwijsinspectie te voorkomen.[2] De onderwijsinstelling had toen aan de bestuursrechter in een voorlopige voorziening gevraagd om de openbaarmaking te schorsen. De grondslag die toen door de onderwijsinstelling aangedragen werd om de openbaarmaking te schorsen was de Wet openbaarheid bestuur (hierna te noemen: Wob). Volgens de onderwijsinstelling moest openbaarmaking van het rapport achterwege blijven, omdat het belang van openbaarmaking niet zou opwegen tegen het belang van het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van de bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden (zie artikel 10 lid 2 aanhef en onder g Wob). Volgens de rechtbank was de actieve openbaarmaking wettelijk voorgeschreven op grond van artikel 21 lid 1 van de Wot, en was hier de Wob dus niet van toepassing. Het wettelijk stelsel brengt volgens de rechtbank met zich dat bevindingen van de inspectie openbaar worden gemaakt, ook als deze bevindingen een school onwelgevallig zijn. De belangen van de school worden voldoende gewaarborgd doordat de school voorafgaand aan de openbaarmaking kan reageren op het conceptrapport en doordat de Onderwijsinspectie gehouden is de zienswijze van de school tegelijkertijd met het rapport openbaar te maken, aldus de rechtbank. Het lijkt erop dat de rechtbank met de uitspraak in 2018 op voorgaand standpunt is teruggekomen, en de inhoud van de rapporten van de Onderwijsinspectie toch indringender gaat toetsen.

[1] Zie Rechtbank Den Haag, 25 oktober 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:12685.

[2] Zie Rechtbank Noord-Nederland 4 juni 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:2649.

Vergoeding redelijkerwijs noodzakelijke kosten medezeggenschapsraad

Vergoeding redelijkerwijs noodzakelijke kosten medezeggenschapsraad (ECLI:NL:GHAMS:2018:3434)

 

De Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam heeft op 25 september jl. een interessante uitspraak gedaan in het kader van artikel 28 van de Wet Medezeggenschap op Scholen (hierna te noemen: Wms) en daarbij antwoord gegeven op de vraag wanneer het bevoegd gezag de kosten moet vergoeden voor het raadplegen van een deskundige en het voeren van rechtsgedingen door een medezeggenschapsorgaan.

 

Feiten:

In artikel 28 lid 2 Wms is opgenomen dat de redelijkerwijs noodzakelijke kosten voor het raadplegen van een deskundige en van het voeren van rechtsgedingen door de medezeggenschapsraad slechts ten laste komen van het bevoegd gezag indien het bevoegd gezag vooraf in kennis is gesteld van de te maken kosten.

In de kwestie die aan de Ondernemingskamer voorlag had de oudergeleding van de medezeggenschapsraad van de school (hierna te noemen: de OMR) een deskundige (zijnde een advocaat) ingeschakeld ten behoeve van juridisch advies. Deze deskundige meldde zich op 9 oktober 2017 bij het bevoegd gezag met de mededeling dat de OMR zich tot hem had gewend ten aanzien van een viertal onderwerpen en heeft daarbij zijn uurtarief en de geschatte tijd genoemd.

Partijen zijn vervolgens in een discussie gewikkeld geraakt omtrent de vraag of de inschakeling van de deskundige door de OMR redelijkerwijs noodzakelijk was. Het bevoegd gezag vond van niet, omdat de OMR naar haar mening eerst overleg met de medezeggenschapsraad dan wel de beleidsondersteunende medewerker (speciaal aangesteld voor de medezeggenschapsaangelegenheden) had moeten plegen alvorens een deskundige in te schakelen en het bovendien om vragen ging die eenvoudig beantwoord hadden kunnen worden zonder inschakeling van de deskundige. De OMR vond dat zij wel in haar recht stond om een deskundige in te schakelen en dat de kosten daarvan ten laste moesten komen van het bevoegd gezag, omdat de OMR zelf dient te bepalen of en in welke mate zij behoefte heeft aan het raadplegen van een deskundige en dat het bevoegd gezag dit vervolgens slechts marginaal mag toetsen. Bovendien mocht van de OMR niet verwacht worden dat zij eerst overleg zou plegen met een beleidsondersteunende medewerker, aangezien deze in dienst is van het bevoegd gezag.

Nu het bevoegd gezag weigerde om de kosten van de door de OMR ingeschakelde deskundige te betalen, heeft de OMR een geschil aanhangig gemaakt bij de Landelijke Commissie voor Geschillen Wms. De Landelijke Commissie voor Geschillen Wms wees beide verzoeken van de OMR, zowel ten aanzien van het vergoeden van de kosten van het raadplegen van een deskundige door het bevoegd gezag als een vergoeding voor de gemaakte proceskosten inzake de procedure bij de commissie door het bevoegd gezag, af.

Vervolgens ging de OMR in hoger beroep bij de Ondernemingskamer. De vraag die daarbij voorlag was of het bevoegd gezag tekort is geschoten in de naleving van haar verplichtingen op grond van artikel 28 lid 2 Wms door te weigeren om de kosten van de door de OMR ingeschakelde deskundige te betalen.

 

Oordeel Ondernemingskamer:

De Ondernemingskamer komt tot het oordeel dat het bevoegd gezag niet tekort is geschoten in de naleving van haar verplichtingen op grond van artikel 28 lid 2 Wms. Daartoe overweegt zij het volgende.

Met een verwijzing naar de wetsgeschiedenis overweegt de Ondernemingskamer dat niet slechts marginaal, maar juist ten volle getoetst dient te worden of het in het concrete geval voor de vervulling van de taken van de OMR redelijkerwijs noodzakelijk was om een advocaat als deskundige te raadplegen en of de kosten daarvan ten laste van het bevoegd gezag dienen te komen. Volgens de Ondernemingsraad moeten onder meer in aanmerking worden genomen het belang en de aard van het onderwerp waarover de OMR de deskundige wenst te raadplegen, de omvang van de daarmee gemoeide kosten en de draagkracht van de school. Ten slotte is in dat kader ook van belang of, en zo ja, in hoeverre de OMR ook andere, minder kostbare middelen ter beschikking stonden om de door haar gewenste informatie te verkrijgen.

De Ondernemingskamer oordeelt vervolgens dat voor elk van de onderwerpen waarvoor de OMR om vergoeding van deskundige bijstand heeft verzocht geldt dat navraag bij de medezeggenschapsraad en/of het bevoegd gezag de gewenste duidelijkheid had kunnen bieden. De aard van de onderwerpen bracht niet mee dat daarvoor bijzondere expertise nodig was in de vorm van externe juridische bijstand. De OMR had haar vragen eerst aan de orde moeten stellen in de medezeggenschapsraad, waarvan de OMR deel uitmaakt, op grond van artikel 7 lid 1 Wms waarin is opgenomen dat de medezeggenschapsraad naar vermogen openheid en overleg in de school dient te bevorderen. Ook had de OMR eerst haar vragen kunnen neerleggen bij de voor de medezeggenschap aangestelde beleidsondersteunende medewerker.

De OMR die een deskundige wil raadplegen en aan het bevoegd gezag vraagt te bevestigen dat de kosten daarvan door het bevoegd gezag gedragen zullen worden, zal dan ook voldoende gegevens moeten aanreiken aan het bevoegd gezag op basis waarvan het bevoegd gezag de beoordeling kan maken of er sprake is van redelijkerwijs noodzakelijke kosten.

De Ondernemingskamer komt zodoende tot de conclusie dat het bevoegde gezag niet tekort geschoten was in de naleving van haar verplichtingen op grond van artikel 28 lid 2 Wms en de kosten van het inschakelen van de deskundige door de OMR niet hoefde te dragen, omdat deze niet redelijkerwijs noodzakelijk waren.

Een tweede punt dat ter beoordeling aan de Ondernemingskamer voorlag, was of het bevoegd gezag dan wel de kosten diende te dragen die de OMR had gemaakt voor het voeren van de procedures bij de Landelijke Commissie voor Geschillen WMS en de Ondernemingskamer. Met een verwijzing naar (wederom) de wetsgeschiedenis oordeelt de Ondernemingskamer dat de kosten van een nalevingsgeschil  in ieder geval moeten worden aangemerkt als redelijkerwijs noodzakelijke kosten, onafhankelijk van de vraag welke partij in het ongelijk wordt gesteld. Het bevoegd gezag is dan ook gehouden om de redelijkerwijs noodzakelijke kosten voor het voeren van de procedures te dragen. Wel concludeert de Ondernemingskamer dat de in rekening gebrachte kosten door de deskundige in geen verhouding staan tot de aard en de omvang van het geschil en dat ook wegens de draagkracht van het bevoegd gezag de kosten niet als redelijk kunnen worden aangemerkt. Zodoende matigt de Ondernemingskamer de kosten voor het voeren van de procedure.

 

Betekenis:

Uit de uitspraak van de Ondernemingskamer volgt duidelijk dat een bevoegd gezag een verzoek van een medezeggenschapsorgaan tot vergoeding van kosten niet klakkeloos hoeft te accepteren. Het bevoegd gezag dient naar aanleiding van de aangereikte informatie zich een oordeel te vormen of de kosten in het concrete geval redelijkerwijs noodzakelijk zijn. Het bevoegd gezag kan daarbij kijken naar het belang en de aard van het onderwerp waarover het medezeggenschapsorgaan een deskundige wenst te raadplegen, de omvang van de daarmee gemoeide kosten en de draagkracht van de school. Daarnaast is ook van belang dat het medezeggenschapsorgaan minder kostbare mogelijkheden om antwoord te krijgen op levende vragen heeft onderzocht en gebruikt, alvorens een deskundige in te schakelen op kosten van het bevoegd gezag.

Feit blijft wel dat indien een bevoegd gezag een verzoek van een medezeggenschapsorgaan tot betaling van kosten van een deskundige afwijst, een medezeggenschapsorgaan een geschil bij de Landelijke Commissie Geschillen WMS aanhangig kan maken en dat de kosten ter zake deze procedure in ieder geval als redelijkerwijs noodzakelijke kosten worden aangemerkt en door het bevoegd gezag betaald moeten worden. Dit kan door een medezeggenschapsorgaan als drukmiddel worden gebruikt om toch geld los te krijgen bij het bevoegd gezag. Immers, het bevoegd gezag weet dat zij linksom of rechtsom dan toch moet betalen. Het blijft dan ook opmerkelijk dat een deskundige (in dit geval advocaat) niet zijn kosten betaald krijgt door het bevoegd gezag vanwege het adviseren van de OMR, maar wel voor het voeren van procedures over de vraag of inschakeling van de deskundige in de eerste plaats wel redelijkerwijs noodzakelijk was. Hoe kansloos deze procedure ook is.

Aan te raden is dan ook om in samenspraak met de medezeggenschapsraad afspraken te maken over het maximale bedrag dat jaarlijks door het bevoegd gezag wordt betaald wegens het inschakelen van een deskundige. In dat geval kan de medezeggenschapsraad dit naar eigen inzicht besteden en hoeft hier vooraf geen toestemming voor te krijgen van het bevoegd gezag. Het voordeel van het bevoegd gezag is dat zij vooraf inzicht heeft in de te maken kosten en niet achteraf geconfronteerd wordt met een hoge kostenpost.

Middelbare scholen breken gesloten markt voor schoolboeken open.

Middelbare scholen breken gesloten markt voor schoolboeken open.

 

Afgelopen zaterdag opende het Financieel Dagblad met de kop: “Middelbare scholen breken gesloten markt voor schoolboeken open”.

In het artikel wordt de Europese aanbesteding voor leermiddelen van de Stichting Carmelcollege te Hengelo besproken. Het zogenaamde LIFO-concept moet het gepersonaliseerd leren binnen de scholen stimuleren. Daarnaast heeft het concept als belangrijke voordeel dat er niet langer sprake is van lesboeken die meerdere jaren gebruikt worden, maar zijn alle papieren leermiddelen verbruiksmateriaal geworden. Verder is de verwachting dat deze wijze van uitvraag tot meer aanbieders zal leiden.

Het LIFO-concept heeft de Stichting Carmelcollege samen met het Onderwijskantoor ontwikkeld.

Indien u meer informatie wenst over het LIFO-concept kunt u contact opnemen met info@onderwijskantoor.nl dan wel via 045 – 560 22 00.
Klik hier voor meer informatie over Het Onderwijskantoor en onze activiteiten.

Het betreffende artikel kunt u hier teruglezen.

Met nadruk wordt opgemerkt dat het auteursrecht van dit bericht is voorbehouden aan het FD. (het artikel is verschenen in Het Financieele Dagblad van 22 februari 2018). https://fd.nl/economie-politiek/1265799/scholen-breken-gesloten-schoolboekenmarkt-open en https://fd.nl/economie-politiek/1270094/het-laatste-bastion-van-de-oude-economie-brokkelt-af

Gedeeltelijke transitievergoeding bij vermindering arbeidsduur van een langdurig zieke werknemer

Gedeeltelijke transitievergoeding bij vermindering arbeidsduur van een langdurig zieke werknemer

Een werkgever die de arbeidsovereenkomst met zijn werknemer opzegt, is vaak een transitievergoeding verschuldigd. Ook als die opzegging komt omdat werknemer vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid zijn werk niet meer kan doen. En de wachttijd voor een WIA-uitkering (2 jaar) is verstreken, zonder dat werknemer is hersteld.

Het is ook mogelijk dat werknemer na 2 jaar deels is hersteld, en nog maar gedeeltelijk arbeidsongeschikt is. Dan bestaat maar recht op een gedeeltelijke WIA-uitkering, als aanvulling op het loon dat werknemer nog zou kunnen verdienen. Bijv. door een vermindering van de arbeidsduur.

De Hoge Raad heeft recent beslist dat bij een substantiële en structurele vermindering van de arbeidstijd van de werknemer, aanspraak bestaat op een gedeeltelijke transitievergoeding. Namelijk voor het deel waarmee de arbeidsovereenkomst wordt verminderd/beëindigd. Dit is bijv. aan de orde bij blijvende, gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, of bij het gedeeltelijk vervallen van een arbeidsplaats wegens bedrijfseconomische omstandigheden. Werkgevers dienen hierop dan ook bedacht te zijn.

 

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2018:1617

 

 

Terug