Voorzichtigheid geboden bij publicatie namen geslaagden

Voorzichtigheid geboden bij publicatie namen geslaagden
De examens zijn ten einde en voor de leerlingen stijgt de spanning, ben ik geslaagd of niet?

Veel scholen plaatsen de namen en woonplaats van de geslaagden in een (regionaal) dagblad.

Nu de AVG (Algemene Verordening Gegevensbescherming) sinds 25 mei 2018 in werking is getreden, zal het openbaar maken van de namen van de geslaagden en hun woonplaats echter niet meer zo vanzelfsprekend zijn.

Toestemming
Er is namelijk toestemming vereist voor het gebruik van deze persoonsgegevens. Artikel 6 lid 1 aanhef en sub a van de AVG bepaalt dat de school toestemming dient te krijgen van de leerling om zijn gegevens -in dit geval: naam en woonplaats- te mogen gebruiken voor de plaatsing van de advertentie in het dagblad.

Is de leerling echter jonger dan 16 jaar, dan volgt uit artikel 8 lid 1 van de AVG dat de ouders (of degene die het gezag over de leerling hebben) hiervoor toestemming dienen te geven aan de school.

Sanctiemogelijkheden
Mocht de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) hebben vastgesteld dat de school geen toestemming hebben van de leerling of de ouderlijk verantwoordelijke, dan kan de AP een boete opleggen van maximaal € 20.000.000,00. In plaats van een boete opleggen, zou de AP ook een sanctie kunnen opleggen om de overtreding te beëindigen of de nadelige gevolgen die voortvloeien uit de overtreding te herstellen.

Aansprakelijkheid
Tevens kunnen ouders (namens hun kind) de school aansprakelijk stellen als de school onzorgvuldig omgaat met de persoonsgegevens van hun kind of als zij persoonsgegevens van hun kind zonder toestemming publiceert.

Voorzichtigheid is dus geboden!

Kunnen bestuurders en toezichthouders van een schoolbestuur aansprakelijk gesteld worden?

Kunnen bestuurders en toezichthouders van een schoolbestuur aansprakelijk gesteld worden? Deze vraag kwam aan de orde bij de nieuwbouw van ROC Leiden.

aansprakelijk

Al gedurende enige tijd staat de aansprakelijkheid van bestuurders en toezichthouders bij instellingen in de semipublieke sector in de belangstelling. Ook de grootschalige nieuwbouw van het ROC Leiden heeft volop aandacht gekregen. Het ROC Leiden kwam in 2011 in financiële problemen door de bouw van twee nieuwe schoolgebouwen bij station Leiden Centraal bij het Lammenschanspark. Het ROC Leiden wilde een gedeelte van de twee gebouwen gebruiken voor eigen onderwijs. Een andere gedeelte wilde zij gaan verhuren, met name aan leerwerkbedrijven. De gebouwen waren dusdanig duur dat een faillissement dreigde. Het ROC Leiden werd gered met een lening van 40 miljoen euro van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Deze lening is later omgezet in een subsidie van de zijde van de overheid.

 

Vervolgens kwam de vraag aan de orde of de bestuurders en toezichthouders van het ROC Leiden persoonlijk aansprakelijk gesteld konden worden voor de schade die het ROC door hun beleid had geleden. In 2015 werd in opdracht van de minister van Onderwijs door de Commissie Meurs de gang van zaken binnen het ROC bekeken en werd de rol van de bestuurders en toezichthouders onderzocht. De commissie concludeerde dat onderzoek gedaan moest worden naar de vraag of de bestuurders aansprakelijk waren wegens onbehoorlijk bestuur. Voor een onderzoek naar de aansprakelijkheid van de toezichthouders bestond volgens de commissie geen aanleiding. Desondanks volgde er een procedure van het ROC op grond van onbehoorlijk bestuur tegen zowel de voormalige bestuurders als een aantal voormalige toezichthouders. Op 28 februari 2018 heeft de Rechtbank Midden-Nederland  zich uitgesproken over de aansprakelijkheid van de bestuurders en toezichthouders (vindplaats: ECLI:NL:RBMNE:2018:723).

 

De rechtbank start haar beoordeling met het weergeven van het toetsingskader dat uit de wet volgt en zich verder heeft ontwikkeld in de rechtspraak. Een bestuurder, die in de vervulling van zijn taak tekort is geschoten, is alleen aansprakelijk voor de schade die een rechtspersoon als gevolg daarvan lijdt als hem ter zake een ernstig verwijt kan worden gemaakt (artikel 2:9 BW). Of in een bepaald geval plaats is voor een ernstig verwijt als hier bedoeld, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Tot de in aanmerking te nemen omstandigheden behoren onder meer

  1. de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten,
  2. de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico’s,
  3. de taakverdeling binnen het bestuur,
  4. de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen,
  5. de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of gedragingen,
  6. alsmede het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult.

(Hoge Raad, 10 januari 1997,NJ 1997, 360 Staleman / Van de Ven).

 

Het hoofdverwijt van het ROC houdt in dat het bestuur, zonder alle risico’s in kaart te brengen, heeft besloten tot de bouw van twee panden met dusdanig grote financiële consequenties dat het ROC niet in staat was deze te dragen.

Omdat het ROC dit verwijt niet nader heeft onderbouwd, oordeelt de rechtbank dat dit niet tot bestuurdersaansprakelijkheid kan leiden.

 

Het ROC maakt de bestuurders ook nog een aantal meer specifieke verwijten, waarvan de voornaamste zijn:

  1. Het ROC Leiden stelt dat de bestuurders in strijd met de statuten hebben gehandeld, omdat zij hebben besloten om een nieuwbouw van 100.000 m2 te realiseren waarvan slechts 39.400 m2 voor eigen gebruik zou zijn.
  2. De rest was bestemd voor commerciële exploitatie en verhuur aan derden. Daarmee zou het onaanvaardbare risico zijn genomen dat geen exploitanten of huurders gevonden zouden kunnen worden.
  3. Er zouden overeenkomsten gesloten zijn die onaanvaardbaar grote financiële risico’s met zich brachten.

 

Ten aanzien van punt één haalt de rechtbank het arrest van de Hoge Raad van 29 november 2002 aan (NJ 2003, 647, Schwandt/Berghuizer Papierfabriek). Volgens dat arrest levert het handelen in strijd met een statutaire bepaling die beoogt de rechtspersoon te beschermen een ernstig verwijt op.

 

Tegenover het verwijt van het ROC, dat het in strijd met de statuten is om niet-onderwijsgerelateerd te bouwen, stellen de bestuurders dat juist het grootste deel van het oppervlak onderwijsgerelateerd is en verband houdt met de primaire onderwijsvoorzieningen van het ROC Leiden. Door de vestiging van leerwerkbedrijven in hetzelfde gebouw zouden leerwerkparken ontstaan. Dat paste in de trend van dat moment en bovendien bood het aan de leerlingen de mogelijkheid om representatieve praktijkervaring op te doen en stage te lopen. Voorts is het gebouw bij het station Leiden Centraal, waar de opleiding Gezondheidszorg en Welzijn gevestigd is, gelegen in de nabijheid van de twee Leidse ziekenhuizen die bij de opleiding betrokken zijn. Het pand bij het Lammenschanspark zou onder meer gedeeld worden met het Da Vinci College – een onderwijsinstelling voor vmbo-onderwijs – waarbij de vestiging in hetzelfde pand leerlingen zou trekken van het Da Vinci College naar het ROC.

 

Het overige, niet onderwijsgerelateerde, deel van oppervlakte van de nieuwbouw was volgens de bestuurders door de gemeente verplicht. Bij het verlenen van de bouwvergunning zou het volledig benutten van het bouwvolume als eis zijn gesteld.

 

De rechtbank meent dat de bestuurders niet in strijd met het statutaire doel van het ROC hebben gehandeld. Het onderwijsgerelateerde deel van de nieuwbouw betreft het grootste deel van de oppervlakte en dit onderwijsgerelateerde deel dient de belangen van het ROC. Het niet-onderwijsgerelateerde deel is veel kleiner en dit deel moest gerealiseerd worden; anders kon het onderwijsgerelateerde deel ook niet worden gebouwd. Voorts had het ROC nog belang bij de twee locaties. Het Lammenschanspark omdat daar het Da Vinci Collega was gevestigd en het Centraal Station omdat dat nabij de twee Leidse ziekenhuizen was.

 

Ten aanzien van punt twee, inhoudende dat een onaanvaardbaar groot financieel risico is genomen door commerciële ruimten te bouwen voor de verhuur, overweegt de rechtbank dat er ten tijde van het nemen van het bouwbesluit voldoende reden was om ervan uit te gaan dat in ieder geval de oppervlakte die bestemd was voor leerwerkbedrijven verhuurd zou kunnen worden. Dit is later ook bewaarheid geworden. Minder dan 15 % van de ruimten, bestemd voor verhuur, bleef uiteindelijk onverhuurd. Alleen al op grond daarvan kan volgens de rechtbank niet gezegd worden dat met het realiseren van de twee panden met ruimtes, bestemd voor de verhuur, een onaanvaardbaar groot risico op leegstand is genomen.

 

Het derde verwijt – er zouden overeenkomsten gesloten zijn met onaanvaardbaar grote risico’s tot gevolg – is volgens de rechtbank evenmin terecht. Van belang in de overwegingen van de rechtbank zijn de volgende omstandigheden: De bestuurders hebben gevaren op geactualiseerde meerjarenprognoses. Zij hebben zich laten bijstaan door diverse externe deskundigen, waarop het bestuur mocht vertrouwen. Ten tijde van de besluitvorming was de financiële crisis en de daarmee verband houdende vastgoedcrisis nog niet begonnen en was toen ook nog niet voorzienbaar.

 

De rechtbank komt tot de slotsom dat het voormalige bestuur van het ROC geen ernstig verwijt te maken valt. De rechtbank wijst op de geest van die tijd, waarbij mbo-instellingen werden gestimuleerd tot concurrentie en tot het ontwikkelen van leerwerkparken. Het bouwproject past in die trend.

 

De uitspraak maakt duidelijk dat de vraag of er ernstig verwijtbaar is gehandeld door het bestuur, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van toen en de kennis van toen. Het gaat er niet om of een besluit fout is met de kennis van nú. Een besluit mag best achteraf fout blijken te zijn, als het maar weloverwogen is genomen en paste bij het belang van de rechtspersoon.

 

Met de aansprakelijkheid van de toezichthouders is de rechtbank overigens heel snel klaar. De Commissie Meurs had in 2015 namelijk al geconcludeerd dat er geen aanleiding was om het handelen van de toezichthouders nader onder de loep te nemen.  Dat het ROC desalniettemin heeft besloten de toezichthouders te dagvaarden vindt de rechtbank duidelijk niet kies. De rechtbank merkt daaromtrent het volgende op:

 

“De rechtbank hecht eraan om over de vorderingen voor zover ingesteld tegen de Toezichthouders nog het volgende op te merken. De Commissie Meurs heeft geconcludeerd dat voor nader onderzoek naar persoonlijk verwijtbaar handelen van de leden van de Raad van Toezicht geen aanleiding bestond, omdat er geen grond is om te veronderstellen dat in eenzelfde context, setting en tijd, een anders bezette Raad van Toezicht heel veel anders zou hebben geopereerd. In het licht hiervan is het op zijn minst opmerkelijk dat ROC Leiden c.s. de Toezichthouders desondanks en zelfs zonder specifieke stellingen tegen hen in te nemen in rechte heeft betrokken, zeker als bedacht wordt dat de impact daarvan groot verondersteld kan worden.”

Ontslag op staande voet na niet verwijderen LinkedIn-connecties houdt geen stand

Ontslag op staande voet na niet verwijderen LinkedIn-connecties houdt geen stand

Een werknemer zegt tegen zijn werkgever (een recruitmentbureau) dat hij voor zichzelf wil beginnen. Het recruitmentbureau legt hem een vaststellingsovereenkomst voor die hij vervolgens afwijst. Een week later ontvangt werknemer een officiële waarschuwing omdat hij onvoldoende zou functioneren en concurrerende nevenwerkzaamheden onder werktijd zou verrichten. Hierbij zou werknemer gebruik maken van kandidaten van het recruitmentbureau die hij had toegevoegd als connecties op LinkedIn. Dezelfde maand ontslaat het recruitmentbureau de werknemer op staande voet en sommeert de werknemer de betreffende LinkedIn-connecties te verwijderen.

Rb: De kantonrechter vernietigt het ontslag op staande voet. Werkgever heeft het niet aannemelijk kunnen maken dat werknemer onder werktijd bezig was met het voorbereiden van concurrerende werkzaamheden. De toegevoegde LinkedIn-connecties werden door werknemer gebruikt bij zijn werk voor het recruitmentbureau. Bovendien moest werknemer juist van werkgever de connecties toevoegen op LinkedIn en was niet afgesproken dat werknemer deze connecties op enig moment diende te verwijderen. Er was daarom geen sprake van een dringende reden voor ontslag.

Verder vernietigt de kantonrechter het overeengekomen concurrentiebeding gedeeltelijk door het beding in tijd te beperken. Mede gezien het korte dienstverband van werknemer bij het recruitmentbureau, zou hij namelijk onbillijk worden benadeeld bij een volledige handhaving van het beding.

De kantonrechter wijst het verzoek tot betaling van een boete wegens overtreding van het concurrentiebeding af. Het is namelijk onvoldoende onderbouwd dat werknemer dit beding overtreden heeft. Ten slotte hoeft de werknemer ook niet de 900 LinkedIn-connecties die hij heeft gemaakt tijdens zijn dienstverband te verwijderen. Hierover zijn immers geen afspraken gemaakt. Bovendien vallen de connecties niet onder bedrijfsmiddelen en – voor wat betreft de kandidaten van het recruitmentbureau – ook niet onder relaties.

Verbod op dragen lange mouwen niet discriminerend

Werkneemster is in dienst bij een ziekenhuis als coördinerend medewerker op de afdeling bloedafname. Vanwege haar islamitische geloof bedekt zij haar armen. Het ziekenhuis heeft, onder verwijzing naar haar beleid voor dienstkleding dat is gebaseerd op de richtlijn van de Werkgroep Infectie Preventie, laten weten hier niet mee in te stemmen. Dienstkleding moet de onderarmen onbedekt laten, zodat een goede handhygiëne mogelijk is. De werkneemster stelt dat sprake is van discriminatie op grond van godsdienst.

Het College stelt vast dat sprake is van onderscheid op grond van godsdienst. Het onderscheid is echter gerechtvaardigd vanwege het doel om infecties zo goed mogelijk te voorkomen. Het ziekenhuis hoefde de door de werkneemster aangedragen alternatieven, zoals het onbedekt laten van haar armen bij contacten met patiënten en het gebruiken van losse wegwerp-/afritsmouwen en oprolbare driekwartmouwen, niet te accepteren, nu hierbij niet dezelfde bescherming wordt geboden tegen infecties als bij onbedekte onderarmen. Het belang van het ziekenhuis weegt daarom zwaarder dan dat van de werkneemster.

Aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van een ernstig ongeval tijdens een gymles?

Kan een school aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van een ernstig ongeval tijdens een gymles? Deze vraag moest de rechtbank Noord-Holland recent beantwoorden.

Aansprakellijk

Tijdens een tikspel kwam een leerling met zijn hoofd tegen de muur van de gymzaal terecht, waardoor hij zijn vijfde nekwervel brak en een incomplete dwarslaesie opliep. De vertegenwoordigers van de leerling verweten de school dat zij haar zorgplicht niet was nagekomen. De rechtbank oordeelde in haar   algemeenheid dat een ongeval tijdens een gymnastiekoefening niet zonder meer tot de conclusie kan leiden dat sprake is van onzorgvuldig en daarmee onrechtmatige handelen aan de kant van de school. Gymnastiekoefeningen zijn enerzijds van belang voor de lichamelijke vorming en ontwikkeling van kinderen en anderzijds is daar een bepaalde mate van gevaar aan verbonden. De school dient te zorgen voor een veilige omgeving waarin het risico van letsel zoveel als redelijkerwijs mogelijk dient te worden vermeden, aldus de rechtbank. Vervolgens ging de rechtbank nader in op een aantal aspecten van deze zorgplicht.

Op de eerste plaats werd door de vertegenwoordigers van de leerling aangevoerd dat de kleine gymzaal niet geschikt was voor tikspellen en dat ook de muren geen valkussens hadden om te voorkomen dat leerlingen zich zouden bezeren aan deze muren. De rechtbank oordeelde dat de mate van waarschijnlijkheid dat een leerling bij een tikspel in volle vaart met zijn hoofd tegen een muur aan loopt niet zodanig groot is dat gezegd kan worden dat de gymleraar ter voldoening van zijn zorgplicht, gehouden was om af te zien van dat spel dan wel valkussens aan te brengen, dan wel de leerlingen ervoor te waarschuwen dat de muren geen valkussens hadden. Bovendien is het naar de mening van de rechtbank een feit van algemene bekendheid dat kinderen reeds op jonge leeftijd en zonder enige instructies tikspelletjes doen.

Een volgend verwijt was dat voorafgaand aan de les leerlingen zich hadden misdragen waardoor er een gespannen sfeer was en een aantal leerlingen ook de klas was uitgestuurd. De rechtbank oordeelde dat er niet was komen vast te staan dat er een gespannen sfeer was en bovenal, hetgeen belangrijk is, dat deze gespannen sfeer had bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval.

Tenslotte werd aangevoerd dat de gymdocent onvoldoende actief geweest was tijdens de les. Tussen partijen was er verschil van mening of de docent aan de kant had gezeten met een laptop of in het midden van de gymzaal stond. De rechtbank kwam tot de conclusie dat in een sportzaal waar een groep kinderen in de leeftijd van 15 jaar een tikspel speelt, een verantwoorde wijze van toezicht houden, niet betekent dat steeds op elk kind direct toezicht wordt gehouden, zodanig dat er onregelmatigheden direct opgemerkt kunnen worden. De rechtbank was van mening dat een gymleraar die, zo werd aangenomen, zich positioneert in het midden van het spel, voldoende toezicht houdt. Nooit geheel kan worden uitgesloten dat met een individuele leerling dan een ongeval gebeurt.

Op basis van bovenstaande overweging kwam de rechtbank uiteindelijk tot de conclusie dat de school en de gymleraar hadden gehandeld binnen de grenzen van hun zorgplicht. De vorderingen werden dan ook afgewezen.

Indien u meer informatie wenst over deze uitspraak kunt u contact opnemen met Herman Berendsen via berendsen@onderwijskantoor.nl
dan wel via 045 – 560 22 00. Klik hier voor meer informatie.

Nieuwe privacyregels

privacyNieuwe privacyregels

Op 25 mei 2018 wordt de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) vervangen door de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). De AVG is van toepassing als er persoonsgegevens worden verwerkt. Als organisatie ontkom je dus bijna niet aan de AVG.

Wat staat u te wachten?

Verbetering positie van de werknemers/klanten

Zij krijgen nieuwe privacy rechten en hun bestaande rechten worden sterker, zoals:

  • het recht op inzage;
  • het recht op rectificatie en aanvulling;
  • het recht op beperking van de verwerking;
  • het recht op een menselijke blik bij besluiten;
  • het recht op bezwaar;
  • het recht op dataportabiliteit (nieuw);
  • het recht om vergeten te worden (nieuw).

Organisaties krijgen meer verplichtingen

Zoals:

  • uitvoeren van een privacy impact assessment;
  • aanstellen van een functionaris voor de gegevensbescherming;
  • uitbreiding van de documentatieverplichting;
  • uitbreiding van de (on/offline) privacyverklaring;
  • meldplicht bij datalekken.

Daarnaast wordt de handhaving voor de hele EU gelijk getrokken en kan de toezichthouder boetes uitdelen die kunnen oplopen tot € 20.000.000,- of 4% van de omzet.

Mocht u nog verdere informatie wensen over de nieuwe wetgeving en de mogelijke implicaties voor uw bedrijf, dan kunt u contact opnemen met de heer Rick Coenen via coenen@sijbenpartners.nl dan wel 045–5602200.

Uitspraak geschillencommissie WMS

uitspraak wmsUitspraak geschillencommissie WMS

Ruim een week geleden hebben wij u geattendeerd op de risico’s die het bevoegd gezag loopt zodra de MR dan wel een geleding van de MR deskundigen gaat inschakelen en de kosten voor deze deskundigen neerlegt bij het bevoegd gezag.

Het verheugt ons u te kunnen wijzen op een uitspraak van de geschillencommissie WMS waarin de commissie een halt toeroept aan het te snel inroepen van deskundigen en het neerleggen van de rekening bij het bevoegd gezag hiervoor.

Voor de volledige uitspraak verwijs ik u naar bijgaande link.

https://onderwijsgeschillen.nl/uitspraken/nalevingsgeschil-de-kosten-van-het-raadplegen-van-een-deskundige-zijn-niet-redelijkerwijs

Terug