Meer zeggenschap en inspraak voor werknemers over beloning van topbestuurders

Grote ondernemingen krijgen de plicht om jaarlijks de arbeidsvoorwaardelijke regelingen en afspraken, inclusief die van het bestuur, te bespreken in een overlegvergadering met de ondernemingsraad (OR). Dit staat in het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op de ondernemingsraden in verband met de bevoegdheden van de ondernemingsraad inzake de beloningen van bestuurders dat op 23 januari 2018 is aangenomen door de Tweede Kamer. Het wetsvoorstel voorziet in een wijziging van art. 23 lid 2  WOR en van art. 31e  WOR.

Beloningsverhoudingen

Met de wijziging van de WOR wordt een jaarlijks gesprek tussen de bestuurder en de OR over de ontwikkeling van de beloningsverhoudingen ten opzichte van het voorgaande jaar per verschillende groep van de in de onderneming werkzame personen, dus inclusief die van het bestuur, verplicht gesteld. De bespreking moet in een overlegvergadering plaatsvinden. Door de verplichting tot het voeren van een gesprek over de ontwikkeling van de beloningsverhoudingen wordt bevorderd dat de bestuurder actief verantwoording aflegt over de ontwikkeling van de beloningsverhoudingen. Door invoering van de verplichting hoeft de OR dit voor beide partijen gevoelige onderwerp niet meer zelf ter sprake te brengen. De verplichting geldt voor ondernemingen waarin in de regel ten minste 100 personen werkzaam zijn.

Hiërarchische verhouding

De gewijzigde bepaling schept nagenoeg geen nieuwe verplichtingen maar de norm wel steviger in de wet tot uitdrukking gebracht, door deze te expliciteren. In de huidige situatie is in art. 31d   WOR weliswaar geregeld dat de ondernemer schriftelijke informatie moet verstrekken aan de OR over de arbeidsvoorwaardelijke regelingen van de werknemers en de beloningsafspraken van het bestuur. Hiermee wordt echter niet bewerkstelligd dat deze tijdens het overleg tussen OR en bestuurder ook daadwerkelijk besproken worden. Omdat er een hiërarchische verhouding bestaat tussen de bestuurder en de werknemers die de OR vormen, kunnen de leden van de OR een drempel ervaren om deze zaken zelf ter sprake te brengen.

Maatschappelijke discussie

De ontwikkeling van evenwichtige beloningsverhoudingen binnen ondernemingen is gediend met meer openheid. De steeds terugkerende maatschappelijke discussie is voor de regering aanleiding geweest om de bevoegdheden van de OR bij grote ondernemingen uit te breiden en scherper vast te leggen. Onevenredige beloningsverschillen kunnen de arbeidsverhoudingen binnen ondernemingen schaden. Het gesprek tussen OR en bestuurder/werkgever kan bijdragen aan het voorkomen hiervan en de regering is van mening dat dit meer ondersteund kan worden. Met het wetsvoorstel wil de regering bevorderen dat een praktijk groeit waarbij de betrokken partijen vooraf met elkaar overleggen, argumenten uitwisselen en werken met meetbare doelstellingen, met oog voor de langere termijn en duurzaamheidsaspecten. Daar hoort bij dat de OR duidelijke cijfers aangeboden krijgt, volledig en gestructureerd, waaruit bijvoorbeeld blijkt hoe de beloningssituatie zich ontwikkelt ten opzichte van vorige jaren. Daar hoort eveneens bij dat bedrijven/bestuurders zich niet (onnodig) beroepen op geheimhouding, zodat de OR dit onderwerp ook met de achterban kan bespreken.

Terecht ontslag op staande voet wegens mishandeling tandartsassistente

  • Rechtbank Overijssel, 28 november 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:4494

Een door CTG op staande voet ontslagen tandarts verzoekt betaling van een billijke vergoeding en de gefixeerde schadevergoeding. Aanleiding voor het ontslag op staande voet is de verbale en fysieke agressie de tandarts tegen de tandartsassistente, tevens echtgenote van de praktijkhouder. De tandarts heeft de tandartsassistente geslagen en zo hard in haar keel geknepen dat zij geen lucht meer kreeg. Zij heeft om zich heen geslagen en geprobeerd zich los te maken uit de greep van de tandarts. Vervolgens is zij buiten bewustzijn geraakt. Toen de tandartsassistente bijkwam, had de tandarts de praktijk verlaten. De tandartsassistente heeft aangifte gedaan bij de politie.

Volgens de tandarts is geen sprake geweest van mishandeling en is het verhaal omtrent de mishandeling in het leven is geroepen om hem te benadelen.

De kantonrechter oordeelt vooreerst dat het ontslag op staande voet voldoende onverwijld is gegeven door CTG. De 6 dagen tussen het incident en het ontslag zijn nodig geweest voor doktersbezoek, het inwinnen van juridisch advies en het doen van aangifte. De reden voor het ontslag is gelegen in hetgeen in de tandartspraktijk is voorgevallen en dat is in de ontslagbrief uitvoerig beschreven.

Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende komen vast te staan dat de tandarts de tandartsassistente (ten minste) heeft mishandeld en dat van noodweer geen sprake is geweest. In het verzoekschrift is volstaan met een simpele ontkenning. Eerst naar aanleiding van vragen van de kantonrechter heeft de tandarts verklaard dat hij met zijn fiets die bewuste middag de praktijk via de garage wilde verlaten en dat de assistente hem daarbij de doorgang versperde. Naar zijn zeggen heeft hij haar toen weggeduwd waardoor zij is gevallen, maar toen hij de garage verliet zag hij dat zij alweer opstond. Van stompen, slaan of wurging is geen sprake geweest. De kantonrechter oordeelt dat er door de tandarts geen redenen, laat staan aanvaardbare redenen, zijn aangevoerd die het toepassen van geweld kunnen rechtvaardigen. Tegenover de verklaring van de tandarts staat het uitgebreide proces-verbaal van aangifte en het bericht van het bezoek van de assistente aan de huisartsenpost. Het verslag van het lichamelijk onderzoek van de tandartsassistente ondersteunt haar aangifte. Het handelen van de tandarts levert een dringende reden op voor ontslag op staande voet en zijn verzoeken worden afgewezen.

Terug