Advocaat-stagiair met burn-out geen aanspraak op billijke vergoeding

Rechtbank Limburg, 3 mei 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:4900 

Een advocaat-stagiair raakt na zijn eerste jaar arbeidsongeschikt wegens spanningsklachten. Na ongeveer een jaar nodigt zijn werkgever hem uit voor een gesprek om te praten over zijn herstel en de voortzetting van het dienstverband na stage. De advocaat-stagiair weigert echter op dit gesprek te verschijnen, omdat het naar zijn mening in het kader van zijn herstel niet verstandig is een formeel gesprek te voeren met twee partners. Hoewel de bedrijfsarts geen bezwaar ziet tegen het gesprek, houdt de advocaat-stagiair voet bij stuk. Kort daarna laat werkgever per e-mail aan de gemachtigde van werknemer weten dat aan werknemer na zijn stage geen arbeidsovereenkomst zal worden aangeboden als advocaat-medewerker. Vervolgens vraagt werkgever een deskundigenoordeel van het UWV aan, waarin uiteindelijk wordt geconcludeerd dat de re-integratie-inspanningen van de werkgever tot dan voldoende zijn geweest. Een dag voor het aflopen van de arbeidsovereenkomst vindt een bemiddelingsgesprek bij de Deken plaats, waarna wordt besloten dat een nieuwe arbeidsovereenkomst zal worden aangegaan; werknemer zal echter middels detachering bij een ander advocatenkantoor werkzaam zijn.

De kantonrechter oordeelt ten eerste dat sprake was van een (tijdige) aanzegging van niet-verlenging van de arbeidsovereenkomst en niet van een opzegging. Werknemer kan daarom geen aanspraak maken op een transitievergoeding, billijke vergoeding of gefixeerde vergoeding wegens onregelmatige opzegging.

Het (voorwaardelijk) verzoek van werknemer tot ontbinding van de nieuwe arbeidsovereenkomst wordt toegewezen, mede gelet op het (grond)recht van vrije arbeidskeuze. Het verzoek tot toekenning van een transitievergoeding of een billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever wordt echter afgewezen. Daar is in dit geval volgens de kantonrechter namelijk geen sprake van. Het verwijt dat de werkgever de werknemer herplaatst heeft naar een andere locatie op basis van arbeidsdeskundig advies, zonder dat de arbeidsdeskundige met de werknemer heeft gesproken, brengt daar geen verandering in.

Kunnen bestuurders en toezichthouders van een schoolbestuur aansprakelijk gesteld worden?

Kunnen bestuurders en toezichthouders van een schoolbestuur aansprakelijk gesteld worden? Deze vraag kwam aan de orde bij de nieuwbouw van ROC Leiden.

aansprakelijk

Al gedurende enige tijd staat de aansprakelijkheid van bestuurders en toezichthouders bij instellingen in de semipublieke sector in de belangstelling. Ook de grootschalige nieuwbouw van het ROC Leiden heeft volop aandacht gekregen. Het ROC Leiden kwam in 2011 in financiële problemen door de bouw van twee nieuwe schoolgebouwen bij station Leiden Centraal bij het Lammenschanspark. Het ROC Leiden wilde een gedeelte van de twee gebouwen gebruiken voor eigen onderwijs. Een andere gedeelte wilde zij gaan verhuren, met name aan leerwerkbedrijven. De gebouwen waren dusdanig duur dat een faillissement dreigde. Het ROC Leiden werd gered met een lening van 40 miljoen euro van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Deze lening is later omgezet in een subsidie van de zijde van de overheid.

 

Vervolgens kwam de vraag aan de orde of de bestuurders en toezichthouders van het ROC Leiden persoonlijk aansprakelijk gesteld konden worden voor de schade die het ROC door hun beleid had geleden. In 2015 werd in opdracht van de minister van Onderwijs door de Commissie Meurs de gang van zaken binnen het ROC bekeken en werd de rol van de bestuurders en toezichthouders onderzocht. De commissie concludeerde dat onderzoek gedaan moest worden naar de vraag of de bestuurders aansprakelijk waren wegens onbehoorlijk bestuur. Voor een onderzoek naar de aansprakelijkheid van de toezichthouders bestond volgens de commissie geen aanleiding. Desondanks volgde er een procedure van het ROC op grond van onbehoorlijk bestuur tegen zowel de voormalige bestuurders als een aantal voormalige toezichthouders. Op 28 februari 2018 heeft de Rechtbank Midden-Nederland  zich uitgesproken over de aansprakelijkheid van de bestuurders en toezichthouders (vindplaats: ECLI:NL:RBMNE:2018:723).

 

De rechtbank start haar beoordeling met het weergeven van het toetsingskader dat uit de wet volgt en zich verder heeft ontwikkeld in de rechtspraak. Een bestuurder, die in de vervulling van zijn taak tekort is geschoten, is alleen aansprakelijk voor de schade die een rechtspersoon als gevolg daarvan lijdt als hem ter zake een ernstig verwijt kan worden gemaakt (artikel 2:9 BW). Of in een bepaald geval plaats is voor een ernstig verwijt als hier bedoeld, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Tot de in aanmerking te nemen omstandigheden behoren onder meer

  1. de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten,
  2. de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico’s,
  3. de taakverdeling binnen het bestuur,
  4. de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen,
  5. de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of gedragingen,
  6. alsmede het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult.

(Hoge Raad, 10 januari 1997,NJ 1997, 360 Staleman / Van de Ven).

 

Het hoofdverwijt van het ROC houdt in dat het bestuur, zonder alle risico’s in kaart te brengen, heeft besloten tot de bouw van twee panden met dusdanig grote financiële consequenties dat het ROC niet in staat was deze te dragen.

Omdat het ROC dit verwijt niet nader heeft onderbouwd, oordeelt de rechtbank dat dit niet tot bestuurdersaansprakelijkheid kan leiden.

 

Het ROC maakt de bestuurders ook nog een aantal meer specifieke verwijten, waarvan de voornaamste zijn:

  1. Het ROC Leiden stelt dat de bestuurders in strijd met de statuten hebben gehandeld, omdat zij hebben besloten om een nieuwbouw van 100.000 m2 te realiseren waarvan slechts 39.400 m2 voor eigen gebruik zou zijn.
  2. De rest was bestemd voor commerciële exploitatie en verhuur aan derden. Daarmee zou het onaanvaardbare risico zijn genomen dat geen exploitanten of huurders gevonden zouden kunnen worden.
  3. Er zouden overeenkomsten gesloten zijn die onaanvaardbaar grote financiële risico’s met zich brachten.

 

Ten aanzien van punt één haalt de rechtbank het arrest van de Hoge Raad van 29 november 2002 aan (NJ 2003, 647, Schwandt/Berghuizer Papierfabriek). Volgens dat arrest levert het handelen in strijd met een statutaire bepaling die beoogt de rechtspersoon te beschermen een ernstig verwijt op.

 

Tegenover het verwijt van het ROC, dat het in strijd met de statuten is om niet-onderwijsgerelateerd te bouwen, stellen de bestuurders dat juist het grootste deel van het oppervlak onderwijsgerelateerd is en verband houdt met de primaire onderwijsvoorzieningen van het ROC Leiden. Door de vestiging van leerwerkbedrijven in hetzelfde gebouw zouden leerwerkparken ontstaan. Dat paste in de trend van dat moment en bovendien bood het aan de leerlingen de mogelijkheid om representatieve praktijkervaring op te doen en stage te lopen. Voorts is het gebouw bij het station Leiden Centraal, waar de opleiding Gezondheidszorg en Welzijn gevestigd is, gelegen in de nabijheid van de twee Leidse ziekenhuizen die bij de opleiding betrokken zijn. Het pand bij het Lammenschanspark zou onder meer gedeeld worden met het Da Vinci College – een onderwijsinstelling voor vmbo-onderwijs – waarbij de vestiging in hetzelfde pand leerlingen zou trekken van het Da Vinci College naar het ROC.

 

Het overige, niet onderwijsgerelateerde, deel van oppervlakte van de nieuwbouw was volgens de bestuurders door de gemeente verplicht. Bij het verlenen van de bouwvergunning zou het volledig benutten van het bouwvolume als eis zijn gesteld.

 

De rechtbank meent dat de bestuurders niet in strijd met het statutaire doel van het ROC hebben gehandeld. Het onderwijsgerelateerde deel van de nieuwbouw betreft het grootste deel van de oppervlakte en dit onderwijsgerelateerde deel dient de belangen van het ROC. Het niet-onderwijsgerelateerde deel is veel kleiner en dit deel moest gerealiseerd worden; anders kon het onderwijsgerelateerde deel ook niet worden gebouwd. Voorts had het ROC nog belang bij de twee locaties. Het Lammenschanspark omdat daar het Da Vinci Collega was gevestigd en het Centraal Station omdat dat nabij de twee Leidse ziekenhuizen was.

 

Ten aanzien van punt twee, inhoudende dat een onaanvaardbaar groot financieel risico is genomen door commerciële ruimten te bouwen voor de verhuur, overweegt de rechtbank dat er ten tijde van het nemen van het bouwbesluit voldoende reden was om ervan uit te gaan dat in ieder geval de oppervlakte die bestemd was voor leerwerkbedrijven verhuurd zou kunnen worden. Dit is later ook bewaarheid geworden. Minder dan 15 % van de ruimten, bestemd voor verhuur, bleef uiteindelijk onverhuurd. Alleen al op grond daarvan kan volgens de rechtbank niet gezegd worden dat met het realiseren van de twee panden met ruimtes, bestemd voor de verhuur, een onaanvaardbaar groot risico op leegstand is genomen.

 

Het derde verwijt – er zouden overeenkomsten gesloten zijn met onaanvaardbaar grote risico’s tot gevolg – is volgens de rechtbank evenmin terecht. Van belang in de overwegingen van de rechtbank zijn de volgende omstandigheden: De bestuurders hebben gevaren op geactualiseerde meerjarenprognoses. Zij hebben zich laten bijstaan door diverse externe deskundigen, waarop het bestuur mocht vertrouwen. Ten tijde van de besluitvorming was de financiële crisis en de daarmee verband houdende vastgoedcrisis nog niet begonnen en was toen ook nog niet voorzienbaar.

 

De rechtbank komt tot de slotsom dat het voormalige bestuur van het ROC geen ernstig verwijt te maken valt. De rechtbank wijst op de geest van die tijd, waarbij mbo-instellingen werden gestimuleerd tot concurrentie en tot het ontwikkelen van leerwerkparken. Het bouwproject past in die trend.

 

De uitspraak maakt duidelijk dat de vraag of er ernstig verwijtbaar is gehandeld door het bestuur, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van toen en de kennis van toen. Het gaat er niet om of een besluit fout is met de kennis van nú. Een besluit mag best achteraf fout blijken te zijn, als het maar weloverwogen is genomen en paste bij het belang van de rechtspersoon.

 

Met de aansprakelijkheid van de toezichthouders is de rechtbank overigens heel snel klaar. De Commissie Meurs had in 2015 namelijk al geconcludeerd dat er geen aanleiding was om het handelen van de toezichthouders nader onder de loep te nemen.  Dat het ROC desalniettemin heeft besloten de toezichthouders te dagvaarden vindt de rechtbank duidelijk niet kies. De rechtbank merkt daaromtrent het volgende op:

 

“De rechtbank hecht eraan om over de vorderingen voor zover ingesteld tegen de Toezichthouders nog het volgende op te merken. De Commissie Meurs heeft geconcludeerd dat voor nader onderzoek naar persoonlijk verwijtbaar handelen van de leden van de Raad van Toezicht geen aanleiding bestond, omdat er geen grond is om te veronderstellen dat in eenzelfde context, setting en tijd, een anders bezette Raad van Toezicht heel veel anders zou hebben geopereerd. In het licht hiervan is het op zijn minst opmerkelijk dat ROC Leiden c.s. de Toezichthouders desondanks en zelfs zonder specifieke stellingen tegen hen in te nemen in rechte heeft betrokken, zeker als bedacht wordt dat de impact daarvan groot verondersteld kan worden.”

Meer zeggenschap en inspraak voor werknemers over beloning van topbestuurders

Grote ondernemingen krijgen de plicht om jaarlijks de arbeidsvoorwaardelijke regelingen en afspraken, inclusief die van het bestuur, te bespreken in een overlegvergadering met de ondernemingsraad (OR). Dit staat in het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op de ondernemingsraden in verband met de bevoegdheden van de ondernemingsraad inzake de beloningen van bestuurders dat op 23 januari 2018 is aangenomen door de Tweede Kamer. Het wetsvoorstel voorziet in een wijziging van art. 23 lid 2  WOR en van art. 31e  WOR.

Beloningsverhoudingen

Met de wijziging van de WOR wordt een jaarlijks gesprek tussen de bestuurder en de OR over de ontwikkeling van de beloningsverhoudingen ten opzichte van het voorgaande jaar per verschillende groep van de in de onderneming werkzame personen, dus inclusief die van het bestuur, verplicht gesteld. De bespreking moet in een overlegvergadering plaatsvinden. Door de verplichting tot het voeren van een gesprek over de ontwikkeling van de beloningsverhoudingen wordt bevorderd dat de bestuurder actief verantwoording aflegt over de ontwikkeling van de beloningsverhoudingen. Door invoering van de verplichting hoeft de OR dit voor beide partijen gevoelige onderwerp niet meer zelf ter sprake te brengen. De verplichting geldt voor ondernemingen waarin in de regel ten minste 100 personen werkzaam zijn.

Hiërarchische verhouding

De gewijzigde bepaling schept nagenoeg geen nieuwe verplichtingen maar de norm wel steviger in de wet tot uitdrukking gebracht, door deze te expliciteren. In de huidige situatie is in art. 31d   WOR weliswaar geregeld dat de ondernemer schriftelijke informatie moet verstrekken aan de OR over de arbeidsvoorwaardelijke regelingen van de werknemers en de beloningsafspraken van het bestuur. Hiermee wordt echter niet bewerkstelligd dat deze tijdens het overleg tussen OR en bestuurder ook daadwerkelijk besproken worden. Omdat er een hiërarchische verhouding bestaat tussen de bestuurder en de werknemers die de OR vormen, kunnen de leden van de OR een drempel ervaren om deze zaken zelf ter sprake te brengen.

Maatschappelijke discussie

De ontwikkeling van evenwichtige beloningsverhoudingen binnen ondernemingen is gediend met meer openheid. De steeds terugkerende maatschappelijke discussie is voor de regering aanleiding geweest om de bevoegdheden van de OR bij grote ondernemingen uit te breiden en scherper vast te leggen. Onevenredige beloningsverschillen kunnen de arbeidsverhoudingen binnen ondernemingen schaden. Het gesprek tussen OR en bestuurder/werkgever kan bijdragen aan het voorkomen hiervan en de regering is van mening dat dit meer ondersteund kan worden. Met het wetsvoorstel wil de regering bevorderen dat een praktijk groeit waarbij de betrokken partijen vooraf met elkaar overleggen, argumenten uitwisselen en werken met meetbare doelstellingen, met oog voor de langere termijn en duurzaamheidsaspecten. Daar hoort bij dat de OR duidelijke cijfers aangeboden krijgt, volledig en gestructureerd, waaruit bijvoorbeeld blijkt hoe de beloningssituatie zich ontwikkelt ten opzichte van vorige jaren. Daar hoort eveneens bij dat bedrijven/bestuurders zich niet (onnodig) beroepen op geheimhouding, zodat de OR dit onderwerp ook met de achterban kan bespreken.

Terecht ontslag op staande voet wegens mishandeling tandartsassistente

  • Rechtbank Overijssel, 28 november 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:4494

Een door CTG op staande voet ontslagen tandarts verzoekt betaling van een billijke vergoeding en de gefixeerde schadevergoeding. Aanleiding voor het ontslag op staande voet is de verbale en fysieke agressie de tandarts tegen de tandartsassistente, tevens echtgenote van de praktijkhouder. De tandarts heeft de tandartsassistente geslagen en zo hard in haar keel geknepen dat zij geen lucht meer kreeg. Zij heeft om zich heen geslagen en geprobeerd zich los te maken uit de greep van de tandarts. Vervolgens is zij buiten bewustzijn geraakt. Toen de tandartsassistente bijkwam, had de tandarts de praktijk verlaten. De tandartsassistente heeft aangifte gedaan bij de politie.

Volgens de tandarts is geen sprake geweest van mishandeling en is het verhaal omtrent de mishandeling in het leven is geroepen om hem te benadelen.

De kantonrechter oordeelt vooreerst dat het ontslag op staande voet voldoende onverwijld is gegeven door CTG. De 6 dagen tussen het incident en het ontslag zijn nodig geweest voor doktersbezoek, het inwinnen van juridisch advies en het doen van aangifte. De reden voor het ontslag is gelegen in hetgeen in de tandartspraktijk is voorgevallen en dat is in de ontslagbrief uitvoerig beschreven.

Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende komen vast te staan dat de tandarts de tandartsassistente (ten minste) heeft mishandeld en dat van noodweer geen sprake is geweest. In het verzoekschrift is volstaan met een simpele ontkenning. Eerst naar aanleiding van vragen van de kantonrechter heeft de tandarts verklaard dat hij met zijn fiets die bewuste middag de praktijk via de garage wilde verlaten en dat de assistente hem daarbij de doorgang versperde. Naar zijn zeggen heeft hij haar toen weggeduwd waardoor zij is gevallen, maar toen hij de garage verliet zag hij dat zij alweer opstond. Van stompen, slaan of wurging is geen sprake geweest. De kantonrechter oordeelt dat er door de tandarts geen redenen, laat staan aanvaardbare redenen, zijn aangevoerd die het toepassen van geweld kunnen rechtvaardigen. Tegenover de verklaring van de tandarts staat het uitgebreide proces-verbaal van aangifte en het bericht van het bezoek van de assistente aan de huisartsenpost. Het verslag van het lichamelijk onderzoek van de tandartsassistente ondersteunt haar aangifte. Het handelen van de tandarts levert een dringende reden op voor ontslag op staande voet en zijn verzoeken worden afgewezen.

Terug