Samenwerkingsverband zal diensten in het kader van Passend Onderwijs moeten aanbesteden

Samenwerkingsverband zal diensten in het kader van Passend Onderwijs moeten aanbesteden

Het samenwerkingsverband heeft onder andere de opdracht om de kwaliteit van de leerlingenzorg te verbeteren zodat zo veel mogelijk leerlingen binnen het regulier onderwijs kunnen blijven. Hiervoor biedt het samenwerkingsverband ambulante zorg aan. Bij de inkoop van deze ambulante zorg dient het samenwerkingsverband de Aanbestedingswet 2012 (Aw 2012) in acht te nemen.

Aanbestedende dienst

Het samenwerkingsverband is een aanbestedende dienst en dus aanbestedingsplichtig op grond van de Aw 2012. Het samenwerkingsverband zal de inkoop van ambulante zorg in het kader van Passend Onderwijs dan ook moeten aanbesteden.

Ambulante diensten

Het aanbieden van ambulante zorg is een vorm van ondersteuning die erop gericht is leerlingen een ononderbroken ontwikkelproces te laten doormaken en leerlingen die extra ondersteuning behoeven een zo passend mogelijke plaats in het onderwijs te bieden. Deze ambulante zorg kopen samenwerkingsverbanden in de regel in van externe partijen. Hierbij kan gedacht worden onder andere aan de expertisegebieden: ‘gedrag’, ‘fysiek/medisch’, ‘zeer moeilijk lerenden’ en ‘NT2’.

Drempelbedrag

Indien het samenwerkingsverband bij de inkoop van deze diensten het zogenaamde drempelbedrag overschrijdt, zal Europees aanbesteed moeten worden. Het drempelbedrag voor meergenoemde ambulante diensten bedraagt € 750.000,00. Indien dit drempelbedrag niet wordt overschreden, dan hoeft er ook niet Europees aanbesteed te worden. In dat geval kan, afhankelijk van de totale waarde van de opdracht, gekozen worden voor een minder uitgebreide en dwingende procedure, te weten een nationale aanbestedingsprocedure, een meervoudig onderhandse procedure dan wel een enkelvoudig onderhandse procedure.

Indien u meer informatie wenst over de mogelijkheden en onmogelijkheden van het aanbesteden van ambulante diensten, dan kunt u contact opnemen met info@onderwijskantoor.nl dan wel via 045 – 560 22 00. Klik hier voor meer informatie over Het Onderwijskantoor en onze activiteiten.

Verzoek om uitgekeerde transitievergoeding te vergoeden afgewezen (ECLI:NL:RVS:2018:1293)

Verzoek om uitgekeerde transitievergoeding te vergoeden afgewezen (ECLI:NL:RVS:2018:1293)

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft een interessante uitspraak gewezen omtrent artikel 123 Wpo, dat de mogelijkheid biedt om in bijzondere gevallen aanvullende bekostiging toe te kennen. Uit het eerste lid volgt dat bij ministeriële regeling besloten kan worden om in geval van bijzondere ontwikkelingen in de sector bijzondere bekostiging toe te kennen. Dit is in deze zaak echter niet aan de orde. In het onderhavige geval draait het om het tweede lid van de bepaling waaruit volgt dat minister aanvullende bekostiging kan toekennen op verzoek van een school in verband met bijzondere omstandigheden in een concreet geval.

Feiten

De Stichting heeft een werkneemster ontslagen wegens arbeidsongeschiktheid en aan haar een transitievergoeding uitgekeerd. De transitievergoeding, ook wel ontslagvergoeding genoemd, houdt in dat een werknemer recht heeft op een vergoeding indien de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd én de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd of niet wordt voortgezet op initiatief van de werkgever. De Stichting heeft vervolgens aan de staatssecretaris verzocht deze kosten te vergoeden en beroept zich hierbij op artikel 123, tweede lid, Wpo. De staatssecretaris heeft dit verzoek afgewezen.

Het geschil

Het geschil heeft betrekking op de vraag of het onderscheid tussen het openbaar onderwijs en anderzijds het bijzonder onderwijs een bijzondere omstandigheid is als bedoeld in artikel 123, tweede lid, Wpo, op grond waarvan aan de Stichting aanvullende bekostiging dient te worden verstrekt om de kosten van de in verband met het ontslag van werkneemster betaalde transitievergoeding te dekken. Het tweede lid van artikel 123 Wpo biedt de staatssecretaris de mogelijkheid om – in aanvulling op de lumpsum – aan een school die in bijzondere omstandigheden verkeert, onder door hem op te leggen verplichtingen, aanvullende bekostiging te verstrekken voor personeelskosten. Slechts in een zeer beperkt aantal gevallen wordt deze aanvullende bekostiging toegekend.

Op de eerste plaats stelt de Stichting dat sprake is van een bijzondere omstandigheid, nu de werkgevers in het openbaar onderwijs niet geconfronteerd worden met de verplichting om een transitievergoeding te betalen. Voorts voert de Stichting aan dat er veel ontslagen vallen, nu zij zich in een krimpregio bevindt. Het zittende personeel vergrijst en kent hogere salarisschalen, wat betekent dat ook de transitievergoeding hoger uitvalt. Over 2016 en 2017 heeft zij bijna een half miljoen Euro aan transitievergoedingen betaald. Zo blijft minder geld over voor het opvullen van vacatures en verhoogt de werkdruk. Kortom, er is een scheefgroei tussen het bijzonder onderwijs en het openbaar onderwijs, wat volgens de Stichting betekent dat artikel 123, tweede lid, Wpo ruimere toerekening geniet.

Oordeel Raad van State

De Afdeling oordeelt dat de gemaakte kosten voor de transitievergoeding niet in aanmerking komen voor aanvullende bekostiging ex artikel 123 lid 2 Wpo en dus voor rekening blijven van de Stichting. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het een maatregel betreft die alle scholen waar personeel werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst treft en niet alleen de scholen waar de Stichting het bevoegd gezag van is. Het zijn kosten die behoren tot het normale werkgeversrisico. Deze kosten dienen dus uit de lumpsum gefinancierd te worden. Ook het feit dat de verplichting tot betaling van de transitievergoeding uitsluitend geldt voor scholen in het bijzonder onderwijs, maakt dit evenmin een bijzondere omstandigheid. Het beroep van de Stichting is ongegrond.

Verwijtbaar handelen maar toch recht op transitievergoeding voor werknemer Toneelacademie

Verwijtbaar handelen maar toch recht op transitievergoeding voor werknemer Toneelacademie[1]

 

In de huidige tijd waarin de #metoo beweging aandacht vraagt voor grensoverschrijdend gedrag, heeft het Gerechtshof Den Bosch de kantonrechter van de rechtbank Limburg op 2 mei 2019 gedeeltelijk teruggefloten.

De werknemer in kwestie was sinds 1989 in dienst van de Toneelacademie en werkzaam als senior docent bewegingsleer. In 2006 is hij gewaarschuwd, omdat met name vrouwelijke studenten niet wisten of de door de werknemer uitgevoerde fysieke houdingscorrecties als professioneel/vakmatig of privaat/ongewenst geïnterpreteerd moesten worden. In 2010 werd de medewerker wederom gewaarschuwd en werd hem elke vorm van fysiek contact bij instructie en houdingscorrectie met studenten verboden.

In oktober 2017 heeft een studente een melding gedaan van ongewenst gedrag van de medewerker. De medewerkers zou zijn hand op de billen van de student hebben gelegd/een tik gegeven hebben op de billen van de student en daarbij hebben gezegd dat hij dit al langer had willen doen. In november 2017 volgde een tweede melding van een andere studente. De medewerker had de studente tijdens een les in het bijzijn van medestudenten tweemaal gemasseerd en daarbij haar gehele lichaam nagelopen waarbij alle spiergroepen aan bod zijn gekomen (ook intieme delen/erogene zones waaronder de borsten).

De medewerker is vervolgens geschorst en de Toneelacademie heeft de Ombudsman, een vertrouwenspersoon en een extern bureau onderzoek laten doen naar de gang van zaken. De conclusie van het onderzoek was dat voornoemde handelingen zoals gemeld door de studentes daadwerkelijk hadden plaatsgevonden.

De Toneelacademie heeft de kantonrechter daarop verzocht om de arbeidsovereenkomst met de medewerker te ontbinden wegen ernstig verwijtbaar handelen van de medewerker. De kantonrechter oordeelde in eerste aanleg dat er inderdaad sprake was van ernstig verwijtbaar handelen van de medewerker en ontbond de arbeidsovereenkomst zonder toekenning van de transitievergoeding. Daartoe overwoog de kantonrechter dat de medewerker al tweemaal indringend door de Toneelacademie was gewaarschuwd en dat de medewerker met zijn recente handelingen de grens van het toelaatbare ver had overschreden.

De medewerker is in hoger beroep gekomen bij het Hof tegen de uitspraak van de kantonrechter en heeft daarbij primair verzocht om herstel van de arbeidsovereenkomst en subsidiair om toekenning van de transitievergoeding.

Het Hof concludeert dat er inderdaad sprake was van verwijtbaar handelen, zoals door de kantonrechter betoogd. Herstel van de arbeidsovereenkomst wijst het Gerechtshof dus niet toe. Wel is het Hof, anders dan de kantonrechter, van oordeel dat er geen sprake was van ernstig verwijtbaar handelen van de medewerker en dat de medewerker dus wel recht heeft op de transitievergoeding. Daartoe overweegt het Hof dat de Toneelacademie zelf ook een aandeel heeft in hetgeen er was voorgevallen. Het was namelijk aan de Toneelacademie om duidelijk te maken waren de grenzen liggen over wat wel en wat niet acceptabel is in termen van grensoverschrijdend gedrag, aangezien dit zowel bij de studenten als de docenten niet duidelijk was.

Een les die uit deze uitspraak geleerd kan worden is dat een werkgever bij grensoverschrijdend gedrag van een medewerker ook een eigen verantwoordelijkheid heeft om duidelijke signalen af te geven waar de grenzen volgens haar precies liggen over wat wel en niet acceptabel is.

[1] Rechtbank Limburg 12 juli 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:6664 en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 2 mei 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:1649.

Invulling onderwijs is de bevoegdheid van de school

Invulling onderwijs is de bevoegdheid van de school

Op 5 april jl. heeft de voorzieningenrechter in Roermond een interessant vonnis gewezen betreffende een leerling van klas 4 vmbo. Het bevoegd gezag, bijgestaan door het Onderwijskantoor, concludeerde dat de leerling door zijn gedrag geen klassikaal onderwijs meer mocht volgen, maar een aangepast maatwerktraject kreeg aangeboden buiten het klassikale onderwijs.

Door de ouders was op de eerste plaats gesteld dat door deze wijze van aanpak er sprake was van een schorsing, omdat de leerling geen toegang tot de klas had. De rechter volgde dit standpunt niet, aangezien de leerling werd toegelaten tot de school, ook al was dat een andere locatie en werd buiten de klas een maatwerktraject aangeboden. Er was dus geen sprake van een schorsing.

De voorzieningenrechter oordeelde vervolgens dat een school bij het aanbieden van passend onderwijs een inspanningsverplichting en geen resultaatsverplichting heeft.  Naast deze inspanningsverplichting van de school, staat ook een inspanningsverplichting van de leerling en de ouders. De rechter constateerde dat de wijze waarop het onderwijs werd aangeboden een discretionaire bevoegdheid van het bevoegd gezag is en dat de rechter deze slechts marginaal kan toetsen. Daarbij is het van belang dat de school als onderwijsinstelling bij de uitvoering van haar taak om de veiligheid, rust en orde op school te handhaven een zekere mate van beleidsvrijheid toekomt. Alleen daar waar de school niet in redelijkheid tot het gevoerde beleid of een getroffen maatregel heeft kunnen komen, vindt deze vrijheid haar grens. Daarbij volgde de rechter het standpunt van het bevoegd gezag dat ook de belangen van de medeleerlingen een rol speelden en dat het aanbieden van een maatwerktraject noodzakelijkerwijs haar grenzen kent daar waar dit maatwerktraject ten koste gaat van het onderwijs aan die overige leerlingen. De school had, aldus de rechter, er alles aan gedaan om passend onderwijs aan te bieden. De rechter volgde het bevoegd gezag in de stelling dat een verdere uitbreiding van het maatwerktraject zou leiden tot ernstige financiële en organisatorische problemen binnen de school.

Gezien de recente datum van het vonnis is het vonnis nog niet gepubliceerd.

VO-congres 2019

VO-congres 2019

Het Onderwijskantoor is wederom aanwezig tijdens het VO-congres van de VO-raad, dit jaar op donderdag 28 maart 2019.

Voor elk rechtsgebied een specialist

De volgende specialisten van Het Onderwijskantoor zullen u bij onze stand bijpraten en uw vragen beantwoorden ten aanzien van verschillende onderwijsthema’s.

Herman Berendsen       onderwijsrecht, aanbestedingsrecht, onderwijshuisvesting en -bekostiging, arbeidsrecht voor schoolbesturen

Sylvana Klein               informatie over lunchlezingen, incompany lezingen, mantelovereenkomsten met Het Onderwijskantoor

Kevin Meegdes             opstellen contracten, contractadvies, aanbestedingsrecht

Kim Oligschlager          onderwijsspecifieke aanbestedingen, contracten, privacy, rechtmatigheidscontrole accountant

Marion van Roekel       arbeidsrecht voor schoolbesturen, onderwijsrecht

Cindy Schröder            onderwijshuisvesting en -bekostiging

Gigi Schutte                onderwijsspecifieke aanbestedingen, beleidsadvies, contracten, rechtmatigheidscontrole accountant

 

Maak kans op een workshop bij u op school

Wij nodigen u uit om deel te nemen aan onze prikkelende stelling, die wij u voorleggen bij onze stand. Onder de deelnemers aan de stelling verloten wij 3 workshops, die kosteloos door onze specialisten in de school (incompany) worden verzorgd.

Dus kom naar onze stand, geef uw mening, kruis aan welke workshop uw voorkeur heeft en binnen één week na het VO-congres maken wij de winnaars bekend!

Wij hopen u weer te verwelkomen op 28 maart 2019!

Geen discriminatie bij het maken van klassenfoto’s

Geen discriminatie bij het maken van klassenfoto’s (ECLI:NL:GHDHA:2018:3262)

 

Het Gerechtshof Den Haag heeft op 4 december jl. een interessante uitspraak gewezen in het kader van artikel 7 lid 1, aanhef en sub c Algemene Wet Gelijke Behandeling welk artikel kort gezegd verbiedt om te discrimineren bij het aanbieden van of verlenen van toegang tot diensten en bij het sluiten, uitvoeren of beëindigen van overeenkomsten daarover door (onder andere) onderwijsinstellingen.

Feiten

Het feitencomplex in de onderhavige zaak was als volgt. Twee zusjes uit een Islamitisch gezin zaten op een openbare basisschool in Den Haag.

De stichting waartoe voornoemde school behoorde, was met de schoolfotograaf overeengekomen dat op 24 september 2015 individuele foto’s en groepsfoto’s gemaakt zouden worden van alle leerlingen. Deze datum was ook in de jaarplanning van de school opgenomen, welke jaarplanning begin juli 2015 onder de ouders van de leerlingen was gecirculeerd.

De moeder van de zusjes had op 17 september 2015 verlof aangevraagd voor haar twee dochters op 24 september 2015 aangezien op die dag het Offerfeest gevierd zou worden. Het Offerfeest is een belangrijke Islamitische feestdag dat begint op de 10e dag van de twaalfde maand van de Islamitische kalender. De eerste dag van de maand wordt bij de Islamitische kalender bepaald aan de hand van de (waarnemingen van) de maansikkel.

Bij de verlofaanvraag bleek het de stichting alsmede de moeder van de zusjes dat de dag waarop de schoolfotograaf zou komen, samenviel met het Offerfeest. De stichting was er in haar jaarplanning namelijk van uit gegaan dat het Offerfeest op 23 september 2015 zou plaatsvinden.

De afspraak met de schoolfotograaf kon op dat moment niet meer verzet worden, hetgeen er toe heeft geleid dat de twee zusjes niet op de klassenfoto’s stonden die door de schoolfotograaf zijn gemaakt.

Later heeft de adjunct-directeur nieuwe groepsfoto’s gemaakt waarop de twee zusjes wel staan en is de schoolfotograaf opnieuw op school geweest om individuele foto’s te maken van de zusjes.

Oordeel in eerste aanleg (ECLI:NL:RBDHA:2017:7416)

Namens de zusjes werd gevorderd om te verklaren dat de stichting onrechtmatig had gehandeld jegens hen door te discrimineren op grond van geloofsovertuiging. Tevens werd een bedrag van EUR 10.000,- aan schadevergoeding gevorderd.

Voor wat betreft de individuele foto’s heeft de stichting volgens de Rechtbank Den Haag geen verboden onderscheid gemaakt aangezien de schoolfotograaf op een later moment is teruggekomen om ook van de zusjes een individuele foto te maken.

Wel was er volgens de Rechtbank Den Haag sprake van (indirecte) discriminatie ten aanzien van de mogelijkheid voor de leerlingen om klassenfoto’s te laten maken. Door de schoolfotograaf voor het maken van de klassenfoto’s op school te laten komen op de dag van het Offerfeest werden met name leerlingen met een bepaalde godsdienstige overtuiging beperkt in de mogelijkheid om van die dienst gebruik te maken.

Als gevolg van voornoemde discriminatie diende de stichting schadevergoeding voor een bedrag van EUR 500,- te betalen aan de zusjes.

Oordeel hoger beroep

De stichting was het niet eens met het oordeel van de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg dat er sprake was van (indirecte) discriminatie aan de zijde van de stichting en de op grond daarvan toegekende schadevergoeding aan de zusjes en zij ging in hoger beroep bij het Gerechtshof te Den Haag.

Op grond van de volgende omstandigheden kwam het Gerechtshof Den Haag tot het oordeel dat, voor zover de planningsfout van de stichting als discriminatie zou hebben te gelden, er in het onderhavige geval geen sprake is van een wezenlijk onderscheid:

  • de aard van de aangeboden dienst,

in het onderhavige geval het maken van klassenfoto’s;

  • het feit dat het samenvallen van de komst van de komst van de schoolfotograaf en het Offerfeest het gevolg was van een door de school betreurde onbedoelde ongelukkige planning;
  • het tijdstip waarop de vergissing aan het licht kwam,

kort voor de geplande datum;

  • de maatregelen die de stichting genomen heeft,

het zoeken naar een alternatieve datum met de schoolfotograaf, het vervroegen van het fotomoment van 8:45 naar 8:00 uur, het inzetten van meerdere fotografen, het maken van nieuwe klassenfoto’s door de adjunct-directeur op 14 oktober 2015 alsmede het door de schoolfotograaf laten maken van individuele foto’s van de leerlingen op 10 november 2015;

  • het eindresultaat,

er zijn nieuwe klassenfoto’s waar de zusjes ook op staan en er zijn individuele portretfoto’s van de zusjes gemaakt.

Aangezien het Gerechtshof Den Haag concludeerde dat er geen sprake is geweest van discriminatie bestaat voor de zusjes geen aanspraak (meer) op schadevergoeding.

Betekenis van de uitspraak voor de onderwijspraktijk

Het is raadzaam om bij het maken van een nieuwe jaarplanning waarin door de school gefaciliteerde diensten, zoals bijvoorbeeld het laten maken van schoolfoto’s, worden vastgelegd rekening te houden met alle feestdagen van de diverse geloofsovertuigingen. Dit om te voorkomen dat onverhoopt wordt gediscrimineerd hetgeen kan leiden tot het verschuldigd zijn van schadevergoeding.

Verder kan uit de uitspraak worden gedestilleerd dat het van belang is om voldoende compenserende maatregelen te treffen indien er op enig moment wel onbewust sprake is geweest van discriminatie, waarbij het van de omstandigheden van het geval zal afhangen of de getroffen maatregelen voldoende zijn en enige schadevergoeding kunnen afwenden.

Voorzieningenrechter keurt LIFO-concept goed

Voorzieningenrechter keurt LIFO-concept goed

 

Vandaag, 27 november 2018, heeft de rechtbank Den Haag een belangrijk vonnis gewezen inzake de aanbesteding van leermiddelen.

In geding was of het zogenaamde Licentiefolio-model, ontwikkeld door de Stichting Carmelcollege, vormgegeven mocht worden in een aanbestedingsprocedure zoals de Stichting dit had gedaan. Twee potentiele inschrijvers waren van mening dat deze procedure niet rechtmatig was en stelden hiertegen vorderingen in.

Vandaag is gebleken dat de rechtbank Den Haag van mening is dat alle vorderingen afgewezen dienen te worden. Zie ECLI:NL:RBDHA:2018:13949.

Dit betekent dat niet alleen het LIFO-concept, zoals ontwikkeld door de Stichting Carmelcollege, doorgang kan vinden maar ook de wijze waarbij zoveel mogelijk partijen worden uitgenodigd om mee te dingen naar de opdracht, door mag gaan.

Wij zullen u op korte termijn nader informeren over de inhoud van dit LIFO-concept en het vonnis van de rechtbank.

Terug